ECLI:NL:GHAMS:2019:2494

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 juli 2019
Publicatiedatum
18 juli 2019
Zaaknummer
18/00262
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 BpbArt. 2 lid 3 BpbArt. 22 Wet WOZArt. 37b Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankbeslissing over WOZ-waarde en proceskostenvergoeding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn onroerende zaak voor het kalenderjaar 2017. De heffingsambtenaar van de gemeente Velsen had deze waarde vastgesteld, welke bij uitspraak op bezwaar werd gehandhaafd. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde en de waarde verminderde. Tevens kende de rechtbank een beperkte proceskostenvergoeding toe, maar wees het verzoek om schadevergoeding af.

In hoger beroep verzocht belanghebbende wederom om proceskosten-, reiskosten- en schadevergoeding. Het hof stelde vast dat de proceshandelingen feitelijk door belanghebbende zelf waren verricht, ondanks dat deze namens een rechtspersoon handelde, waardoor geen sprake was van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hierdoor was geen recht op vergoeding van dergelijke kosten.

Het hof onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de reiskostenvergoeding terecht was toegekend en zag geen reden hiervan af te wijken. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat belanghebbende dit niet nader had onderbouwd en de rechtbank terecht had overwogen dat de schade niet aannemelijk was gemaakt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 18/00262
Zevende enkelvoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[X] wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [Y] )
tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 17/5086 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 13 april 2018 in het geding tussen
belanghebbende
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Velsen, de heffingsambtenaar

inzake de uitspraak op bezwaar betreffende een beschikking op de voet van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken.
Partijen hebben het Hof toestemming gegeven om zonder zitting op het hoger beroep te beslissen. Hierop heeft het Hof het onderzoek gesloten en mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Gronden

1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking de waarde van de onroerende zaak bekend als [adres] te [plaats] voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld. Belanghebbende is genothebbende van deze onroerende zaak.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt, bij uitspraak op bezwaar is de beschikking gehandhaafd waarop belanghebbende beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de vastgestelde waarde verminderd en een proceskostenveroordeling van € 9,10 (reiskosten) toegekend. Belanghebbendes verzoek om schadevergoeding is door de rechtbank afgewezen.
2. In hoger beroep verzoekt belanghebbende (evenals bij de rechtbank) om proceskosten-, reiskosten- en schadevergoeding.
3. De van de zijde van belanghebbende in de bezwaar- en (hoger)beroepsprocedure afkomstige stukken zijn ingediend door “ [Y] ”, een handelsnaam van [Y1] Belanghebbende is directeur-enig aandeelhouder van [Y2] , welke B.V. op haar beurt enig bestuurder is en 100% van de aandelen bezit van [Y1]
3. De proceshandelingen in onderhavige zaak zijn feitelijk verricht door [X] . In dit geval doet zich dan ook een situatie voor als in Hoge Raad 3 juni 2016, nr. 15/04616, ECLI:NL:HR:2016:1035. De Hoge Raad heeft in dat arrest overwogen:
‘Van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, letter a, Bpb is geen sprake in een geval waarin feitelijk de belastingplichtige zelf optreedt in zijn zaak, ook al geschiedt dit namens een rechtspersoon (vgl. HR 11 mei 2012, nr. 11/03010, ECLI:NL:HR:2012:BW5409, BNB 2012/210)’
4. In dezen is derhalve geen sprake van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Belanghebbende heeft geen recht heeft op vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
5. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank terecht de reiskostenvergoeding heeft toegekend overeenkomstig het Bpb. Het Hof ziet geen aanleiding hiervan met toepassing van artikel 2, derde lid, Bpb af te wijken.
6. De rechtbank heeft over de schadevergoeding het volgende in overweging gebracht:
‘18. De rechtbank wijst eisers verzoek om schadevergoeding af. De rechtbank is van oordeel dat eiser de omvang van de door hem naar eigen zeggen geleden schade niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat verweerder de aangepaste WOZ-waarde op grond van de Wet WOZ (hetgeen onder meer blijkt uit artikel 37b van de Wet WOZ) dient door te geven aan onder andere de Belastingdienst. Daarnaast is niet gebleken dat eiser dergelijke – naar het oordeel van de rechtbank zelfs: hoge – kosten voor het laten corrigeren van zijn aangifte inkomstenbelasting zal moeten maken.’
7. Het Hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en maakt de ervoor gebezigde gronden tot de zijne. Belanghebbende heeft zijn verzoek om schadevergoeding in hoger beroep niet nader onderbouwd.
8. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Er dient te worden beslist als hiervoor (onder “Beslissing”) is weergegeven.
De mondelinge uitspraak is gedaan op 18 juli 2019 door mr. F.J.P.M. Haas, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. P.L. Cheung als griffier. De beslissing is op de datum van de mondelinge uitspraak in het openbaar uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.