ECLI:NL:GHAMS:2019:2588
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep huurgeschil woonruimte over huurbetaling en servicekosten
In deze zaak in hoger beroep tussen appellant en de gemeente Amsterdam staat een huurgeschil over de periode september 2014 tot en met juli 2016 centraal. Appellant voerde aan dat hem op 16 maart 2016 door een vertegenwoordiger van de gemeente een voorstel was gedaan om de huurovereenkomst per 1 januari 2016 te laten ingaan ter compensatie van vertragingen en overlast. Ter bewijs hiervan heeft appellant drie getuigen laten horen.
De verklaringen van appellant en de getuigen verschilden van die van de gemeentelijke vertegenwoordiger, die ontkende het coulancevoorstel te hebben gedaan en stelde dat zij niet bevoegd was dergelijke toezeggingen te doen. De technisch beheerder kon zich de inhoud van het gesprek niet herinneren. Het hof oordeelde dat appellant niet in zijn bewijslevering was geslaagd en gaf de voorkeur aan de verklaring van de gemeentelijke vertegenwoordiger.
Als gevolg daarvan faalde appellant in zijn grief en werd bevestigd dat hij de kale huur over de betreffende periode verschuldigd is, totaal €6.618,00. Over de servicekosten heeft de gemeente aanvankelijk geen specificaties overgelegd, maar het hof achtte het waarschijnlijk dat dit een misverstand betrof en gaf de gemeente een nieuwe termijn om de eindafrekeningen in te dienen, waarna appellant daarop kan reageren.
De zaak is aangehouden en verwezen naar de rol van 13 augustus 2019 voor verdere behandeling.
Uitkomst: Appellant is gehouden tot betaling van huur over september 2014 tot juli 2016; gemeente krijgt gelegenheid servicekosten nader te specificeren.