ECLI:NL:GHAMS:2020:108
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnis over servicekosten tussen huurder en gemeente Amsterdam
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de door de gemeente Amsterdam opgevoerde servicekosten terecht aan appellant, een huurder, konden worden toegewezen. Het hof heeft het eerdere vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, waarbij de gemeente een vordering had ingesteld tot betaling van servicekosten over de periode van september 2014 tot en met juli 2016.
De gemeente heeft bij het hoger beroep eindafrekeningen over 2015 en de eerste zeven maanden van 2016 overgelegd, maar niet over het najaar van 2014. Het hof verwierp het verweer van appellant dat schoonmaakkosten, lift- en alarmkosten bij de kale huur waren inbegrepen of anderszins niet verschuldigd waren. De schoonmaakkosten betreffen gemeenschappelijke ruimten en werden niet als exorbitant hoog beoordeeld. De posten gas, water, elektra en alarm werden wel betwist vanwege het ontbreken van meterstanden en onderbouwing.
Desondanks achtte het hof het totaalbedrag van circa € 248,05 per maand inclusief btw niet buitensporig, mede omdat appellant niet betwistte dat hij deze diensten genoot. De grieven van appellant faalden, en het hof verwees hem in de proceskosten van het hoger beroep. Hiermee werd het vonnis van 6 maart 2017 van de kantonrechter in alle onderdelen bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van de gemeente tot betaling van servicekosten toe.