Belanghebbende heeft een herhaalde aanvraag gedaan om kwijtschelding van gemeentelijke belastingen over 2016, welke niet in behandeling werd genomen door het college van burgemeester en wethouders. Hiertegen stelde zij administratief beroep in en stuurde een ingebrekestelling met het verzoek tot beslissing binnen twee weken, met aanspraak op dwangsommen bij uitblijven daarvan. Het college besloot alsnog binnen die termijn, waarna het bezwaar tegen het dwangsombesluit kennelijk ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het dwangsombesluit vanwege de verbondenheid met het primaire besluit over de kwijtschelding, waarvoor de bestuursrechter eveneens niet bevoegd is. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat alleen de burgerlijke rechter bevoegd is om te oordelen over zowel het primaire besluit als het dwangsombesluit.
Belanghebbende verzocht tevens om schadevergoeding, maar het hof oordeelt dat de bestuursrechter daartoe niet bevoegd is zolang het beroep niet gegrond wordt verklaard. De vordering tot schadevergoeding dient bij de burgerlijke rechter te worden ingesteld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.