Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De verdere beoordeling
en Zosta rechtszaken waren geweest, maar hij wuifde dat weg: “dat probeert hij altijd, maar ik heb ze altijd gewonnen”.
grief 1 in principaal appelklaagt Zosta dat de kantonrechter ten onrechte de zogenaamde ‘tenzij-clausule’ van artikel 6:265 BW Pro ambtshalve heeft toegepast. Of deze klacht terecht is, kan in het midden blijven, aangezien [geïntimeerde] dat beroep in ieder geval in hoger beroep wel heeft gedaan, wat hem vrijstond.
grieven 2, 3 en 4 in principaal appellenen zich voor gezamenlijke behandeling. Met die grieven betoogt Zosta dat de tekortkoming van [geïntimeerde] , het gebruik van de appartementen als hotel, gevolgd door de verhuur van appartement [adres 4] als gewoon woonhuis aan [B] , anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, wel de ontbinding van de gehele huurovereenkomst rechtvaardigt.
waaronderde aard en de betekenis van de tekortkoming en de gevolgen van de ontbinding, rechtvaardigt dat de overeenkomst wordt ontbonden. In datzelfde arrest heeft de Hoge Raad als onjuist verworpen de opvatting dat de in de tenzij-clausule neergelegde uitzondering op de hoofdregel slechts bij uitzondering zou kunnen worden toegepast of op een zeldzaam geval betrekking heeft. Daarop strandt het betoog van Zosta dat de beperking van 6:265 BW “een zeer strenge toets betreft”. Ten slotte is blijkens dat arrest ook onjuist de opvatting van Zosta dat aan het bestaan van een alternatieve sanctie in het kader van de toepassing van de tenzij-clausule in het geheel geen betekenis toekomt.
grief 5 in principaal appelgericht.