De zaak betreft het hoger beroep van [X] tegen uitspraken van de rechtbank Amsterdam over naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan [onderneming]. [X] had bezwaar gemaakt tegen de aanslagen, maar de heffingsambtenaar had de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat deze geen gronden bevatten. De rechtbank verklaarde het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.
In hoger beroep staat centraal of [X] bevoegd en belanghebbende is om tegen de aanslagen op te treden. Het Hof oordeelt dat uit de stukken niet blijkt dat [X] als bestuurder of gemachtigde bevoegd was om namens [onderneming] beroep in te stellen. Hierdoor ontbreekt het aan een rechtens relevant belang, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Verder is vastgesteld dat de bezwaarschriften van 4 en 7 juli 2016 wel zijn ingediend, maar niet voldeden aan de wettelijke vereisten. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard en was daardoor niet gehouden tot betaling van dwangsommen. Het Hof veroordeelt de heffingsambtenaar in beperkte proceskosten en gelast terugbetaling van het griffierecht aan [X].