Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] ,
[appellante sub 2],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
grief IIIkeren [appellanten] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het arrest van het hof van 25 oktober 2016 eraan in de weg staat de verschuldigdheid van de parkbijdrage opnieuw aan de orde te stellen door middel van een verweer dat in dat arrest als tardief buiten beschouwing is gelaten. Zij stellen daartoe dat Lecc een tweede procedure is begonnen over de parkbijdrage en dat het hen daarom vrij staat om in deze nieuwe procedure alsnog dat verweer te voeren. Het gaat daarbij om het niet eerder ten gronde behandelde verweer dat een akte van cessie niet rechtsgeldig is tot stand gekomen, waardoor ‘de ketting is doorbroken’ en geen parkbijdrage meer kan worden gevorderd op grond van het kettingbeding in de akte van levering van [appellanten] Zij hebben voorts gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:148, waarbij het arrest van het hof van 25 oktober 2016 is vernietigd op vordering van de familie [D] en de zaak ter verdere behandeling en beslissing is verwezen naar het hof Den Haag. Volgens [appellanten] ligt de vraag hoe het kettingbeding moet worden uitgelegd en tot welke verplichtingen dit leidt met betrekking tot de parkbijdrage daardoor (wederom) ter beantwoording voor aan het hof Den Haag en dient het hof in de onderhavige zaak, gelet op het belang van de rechtseenheid, terug te komen van de uitleg die in het arrest van 25 oktober 2016 aan de leveringsakte van [appellanten] is gegeven.
grief VIkeren [appellanten] zich tegen de veroordeling tot betaling van de wettelijke rente, de buitengerechtelijke kosten, de beslagkosten en de proceskosten in conventie.
grief XI, die uitgaat van het tegendeel.
grieven XII en XIVhebben geen zelfstandige betekenis en delen het lot van de andere grieven.
grief 2keert Lecc zich tegen het op nihil stellen van de proceskosten in reconventie. Ook deze grief faalt, omdat het hof het oordeel van de kantonrechter dat de conventie en de reconventie nauw met elkaar samenhangen, niet onjuist acht.