ECLI:NL:GHAMS:2019:3737
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vonnis en toewijzing gedeeltelijke vorderingen effectenlease
In deze civiele zaak stond de geldigheid en vernietiging van meerdere effectenleaseovereenkomsten centraal. Het hof heeft het bewijsvermoeden dat de wederpartij al ruim voor 2003 op de hoogte was van de leaseovereenkomsten ontzenuwd op basis van getuigenverklaringen van de partijen, waarin werd gesteld dat de wederpartij pas in 2002 of later kennis nam van de overeenkomsten.
Het hof oordeelde dat de leaseovereenkomsten 2 tot en met 5 tijdig zijn vernietigd op grond van artikel 1:88 juncto Pro 1:89 BW, en veroordeelde Dexia tot terugbetaling van de door de wederpartij betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 januari 2006. Tegelijkertijd werd de wederpartij veroordeeld tot terugbetaling aan Dexia van hetgeen Dexia ter voldoening aan het vernietigde vonnis aan hem had betaald, met wettelijke rente vanaf 15 december 2008.
De beoordeling van leaseovereenkomst 1 leidde tot het oordeel dat deze met een positief saldo was geëindigd en geen onaanvaardbare financiële last voor de wederpartij inhield, waardoor geen vordering op Dexia bestond. Het hof vernietigde het bestreden vonnis en deed opnieuw recht, waarbij het de vorderingen van de wederpartij gedeeltelijk toewijsde en de vordering van Dexia tot terugbetaling toewijst.
Tot slot werd Dexia veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties, met een specificatie van verschotten en salarissen. De veroordelingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het door partijen meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst gedeeltelijk de vorderingen toe met wederzijdse veroordelingen tot betaling en kostenveroordeling van Dexia.