ECLI:NL:GHAMS:2019:3834
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geldleningsovereenkomst en toewijzing vordering van €46.320,-
In deze civiele zaak stond de geldleningsovereenkomst tussen appellante en geïntimeerde centraal, waarbij het geschil vooral ging over de hoogte van het geleende bedrag. Het hof verwees naar een eerder tussenarrest en deponering van het originele ondertekende document, dat volgens de wet dwingende bewijskracht heeft. Appellante betwistte de echtheid van het bedrag in de overeenkomst, stellende dat de spatiëring in het document wijkt en dat het bedrag mogelijk later is ingevuld.
Het hof oordeelde dat de echtheid van de overeenkomst onvoldoende gemotiveerd was betwist. Visuele inspectie van het document en de consistentie van de tekst maakten manipulatie onwaarschijnlijk. Bovendien erkende appellante het ondertekenen van de overeenkomst en kon zij haar wisselende stellingen over het geleende bedrag niet concreet onderbouwen.
De overgelegde audiofragmenten waarin het bedrag van €46.000,- werd genoemd, ondersteunden de conclusie dat het bedrag van €46.320,- correct is. Het beroep op dwaling werd verworpen omdat geen wettelijke gronden daarvoor aanwezig waren. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellante in de kosten van het hoger beroep, inclusief rente en nakosten.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van €46.320,- toe en veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep.