ECLI:NL:GHAMS:2019:482
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheidsuitkering en uitleg polisvoorwaarden in verzekeringsrecht
In deze zaak staat de uitleg van het begrip arbeidsongeschiktheid binnen een arbeidsongeschiktheidsverzekering centraal. De verzekerde, een dierenarts, meldde zich arbeidsongeschikt wegens pijn- en gewrichtsklachten. Achmea betaalde aanvankelijk een uitkering, maar staakte deze per 28 november 2014 op grond van het ontbreken van medisch objectiveerbare stoornissen die in relatie staan tot ziekte.
De rechtbank oordeelde dat Achmea ten onrechte de uitkering had gestaakt en veroordeelde Achmea tot betaling van uitkeringen en premieteruggave. Achmea ging in hoger beroep en stelde dat het begrip arbeidsongeschiktheid in de polis cumulatief vereist dat er objectief medisch vast te stellen stoornissen zijn die in relatie staan tot een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld.
Het hof overwoog uitgebreid dat de verzekeringsovereenkomst als consumentenovereenkomst moet worden beschouwd en dat het polisbeding over arbeidsongeschiktheid een kernbeding is dat voldoende duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. Het hof bevestigde dat klachten die niet kunnen worden herleid tot een herkenbaar ziektebeeld niet voldoen aan het criterium van arbeidsongeschiktheid in de polis.
Op basis van medische rapporten, waaronder die van Kuipers en Raaymakers, concludeerde het hof dat de klachten van de verzekerde niet voldoen aan het vereiste van medisch objectiveerbare stoornissen in relatie tot ziekte. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vorderingen van de verzekerde af, waarbij hij tevens in de proceskosten werd veroordeeld.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van de verzekerde af wegens het ontbreken van medisch objectiveerbare stoornissen in relatie tot ziekte.