Uitspraak
16 april 1999.
Hoge Raad
In deze zaak vordert eiseres betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een polis van Interpolis. De kern van het geschil betreft de uitleg van art. 8 van Pro de polisvoorwaarden, waarin arbeidsongeschiktheid wordt gedefinieerd als een medisch vast te stellen gevolg van ongeval of ziekte met een bepaalde mate van arbeidsongeschiktheid.
Eiseres stelt dat zij na 1 januari 1990 nog steeds arbeidsongeschikt was en recht heeft op uitkering, gesteund op medische rapporten. Interpolis betwist dit en beroept zich op een deskundigenrapport dat geen voldoende medische grond voor arbeidsongeschiktheid vaststelt. Rechtbank en Hof wijzen de vordering af na deskundigenonderzoek.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de polisvoorwaarden juist heeft uitgelegd en dat het oordeel over het benoemen van een deskundige aan het beleid van de feitenrechter is overgelaten. De klachten van eiseres over onbegrijpelijkheid en onvoldoende motivering worden verworpen. Het beroep in cassatie wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.