Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
4.Beslissing
€ 2.148,- voor salaris.
Gerechtshof Amsterdam
Appellant, voormalig inwoner van het buitenland en thans woonachtig in Nederland, verzocht om met terugwerkende kracht een beslagvrije voet vast te stellen over de periode 2010/2011 tot en met 2016. Dit verzoek werd door de kantonrechter afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, omdat appellant toen niet in Nederland woonde en het verzoek volgens de kantonrechter niet op grond van artikel 475e Rv kon worden ingediend.
Het hof oordeelde anders en verklaarde appellant ontvankelijk, omdat het verzoek betrekking had op een periode waarin appellant niet in Nederland woonde en artikel 475e Rv van toepassing was. Echter, het hof wees het verzoek af omdat hetzelfde verzoek reeds in 2017 was afgewezen en appellant geen nieuwe feiten of stukken had ingebracht die een herbeoordeling rechtvaardigen. Het is strijdig met de goede procesorde om hetzelfde verzoek opnieuw zonder nieuwe gronden voor te leggen.
Daarnaast stelde het hof vast dat appellant geen belang had bij vaststelling van een beslagvrije voet over het verleden, aangezien de beslaglegger de geïnde bedragen aan de alimentatiegerechtigde had doorbetaald en appellant deze niet kon terugvorderen. De kosten van de procedure werden appellant opgelegd, maar binnen het liquidatietarief, omdat geen sprake was van misbruik van procesrecht.
Uitkomst: Het hof verklaart appellant ontvankelijk maar wijst het verzoek tot vaststelling van een beslagvrije voet af en veroordeelt appellant in de proceskosten.