Belanghebbende was houder van een auto die op drie verschillende momenten in 2017 stil stond zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. De gemeente Amsterdam legde daarop drie naheffingsaanslagen op. Na afwijzing van bezwaren door de heffingsambtenaar stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank, die de beroepen deels niet-ontvankelijk verklaarde wegens te late indiening en het overige beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep stond centraal of sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding bij het indienen van het beroepschrift en of de auto daadwerkelijk geparkeerd stond of dat er sprake was van laden en lossen. Belanghebbende voerde aan dat hij door ziekte te laat was met het indienen van het beroep en dat hij met de auto bezig was met laden en lossen van goederen voor zijn winkel.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat hij onvoldoende uitleg gaf over zijn ziekte en waarom anderen hem niet konden helpen. Tevens was niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van laden en lossen, omdat belanghebbende geen gedetailleerde en consistente beschrijving gaf, zijn verklaring over een passagier en knipperlichten tegenstrijdig was en de foto's van de scanauto dit niet bevestigden.
Het hof bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank dat de naheffingsaanslagen terecht waren opgelegd en verklaarde de hoger beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 26 februari 2019.