ECLI:NL:GHAMS:2020:12
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tot vaststelling beslagvrije voet in hoger beroep
Appellant is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kantonrechter waarin zijn verzoek tot vaststelling van een beslagvrije voet werd afgewezen. Hij verzocht tevens om een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro, zodat voor de duur van de procedure een beslagvrije voet zou worden vastgesteld.
Appellant voert aan dat hij in Gambia woont en daar zijn permanente centrum van belangen heeft, en dat zonder toepassing van een beslagvrije voet zijn pensioeninkomsten onvoldoende zijn om in het levensonderhoud te voorzien. DNV betwist dit en wijst op inschrijving in Nederland en financiële transacties die duiden op verblijf in Nederland.
Het hof overweegt dat het verzoek op grond van artikel 475e Rv gedaan moet worden door een schuldenaar die niet in Nederland woont of verblijft. Gezien de betwisting en de stukken is onvoldoende duidelijk of appellant daadwerkelijk in Gambia woont. Daarnaast is niet aannemelijk dat het hof in de hoofdzaak een beslagvrije voet zal vaststellen. De gerechtsdeurwaarder houdt sinds augustus 2018 al rekening met een beslagvrije voet.
Daarom wordt het incidentele verzoek om een voorlopige beslagvrije voet afgewezen. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de hoofdzaak is afgerond. DNV krijgt gelegenheid om binnen zes weken te reageren op het beroepschrift van appellant.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek om voorlopige beslagvrije voet af wegens onvoldoende spoedeisend belang en onduidelijkheid over woonplaats.