In deze civiele zaak ging het om een executoriaal derdenbeslag dat was gelegd ten laste van appellante, waarbij zij verklaringen had afgelegd dat er geen rechtsverhouding bestond met de derde-beslagene [A]. De beslaglegster, geïntimeerde, stelde dat deze verklaringen onjuist waren en onrechtmatig handelen opleverden.
De kantonrechter had appellante veroordeeld tot betaling van een deel van de gevorderde bedragen. Appellante kwam in hoger beroep met drie grieven, waaronder dat de verklaringen niet tijdig waren betwist door geïntimeerde, zoals vereist volgens artikel 477a lid 2 Rv.
Het hof oordeelde dat geïntimeerde niet binnen de wettelijke termijn van twee maanden na de verklaringen van appellante had gedagvaard om de juistheid daarvan te betwisten of aan te vullen. Hierdoor verviel haar bevoegdheid om de verklaringen aan te vechten en moesten deze als juist worden beschouwd. Enkel stellen dat de verklaringen onjuist waren, was onvoldoende om onrechtmatigheid aan te tonen.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter, wees de vorderingen van geïntimeerde af en veroordeelde haar tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen met wettelijke rente. Tevens werd geïntimeerde veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.