ECLI:NL:GHAMS:2020:2167
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Geen analoge toepassing artikel 1:159 lid 3 BW bij kinderalimentatie, bijdrage vader vastgesteld
Partijen hadden een ouderschapsplan waarin werd afgesproken dat de man geen kinderalimentatie zou betalen vanwege een 50%-50% zorgverdeling. Na langdurige onderbreking van de zorg en omgang door de man met de kinderen, en de schorsing van de zorgregeling, verzocht de vrouw om vaststelling van een onderhoudsbijdrage. Het hof oordeelt dat artikel 1:159 lid 3 BW Pro, dat beperkingen stelt aan wijziging van partneralimentatie, niet analoog toepasbaar is op kinderalimentatie. De rechter heeft de vrijheid om bij relevante wijziging van omstandigheden een bijdrage vast te stellen.
De man had de kinderen lange tijd niet gezien en droeg niet structureel bij aan de kosten. Zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft vanwege een terugval in zijn onderneming werd onvoldoende onderbouwd. De draagkracht werd vastgesteld op €230 per maand, verdeeld over vier kinderen, resulterend in €58 per kind per maand. De ingangsdatum van de bijdrage is vastgesteld op 16 mei 2018, de datum van het aanvullende verzoek van de vrouw. Het hof verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst overige verzoeken af.
Uitkomst: De man moet vanaf 16 mei 2018 een bijdrage van €58 per kind per maand betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van zijn vier kinderen.