ECLI:NL:GHAMS:2020:2243
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vader zonder gezag geen belanghebbende bij uithuisplaatsing minderjarige
In deze zaak is de vader in hoger beroep gekomen tegen een beschikking waarbij zijn minderjarige dochter onder toezicht is gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootmoeder van moederszijde is verleend. De vader, die geen gezag heeft, stelt dat hij als juridische vader en op grond van artikel 8 EVRM Pro belanghebbende is en dus ontvankelijk in het hoger beroep.
Het hof onderzoekt of de uithuisplaatsing een directe inbreuk vormt op het gezinsleven van de vader en of hij daardoor belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro. Het hof overweegt dat de omgang tussen vader en dochter onverminderd doorgaat, alleen op een andere locatie, en dat dit geen directe, ingrijpende inbreuk op het gezinsleven inhoudt. Er zijn geen andere omstandigheden die dit anders maken.
Daarom verklaart het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is op 4 augustus 2020 uitgesproken door het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: De vader wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep omdat hij geen belanghebbende is bij de uithuisplaatsing van zijn dochter.