Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen een beschikking tot ondertoezichtstelling van een minderjarige, waarbij de moeder het gezag uitoefent en de vader zonder gezag is. De moeder betwist de positie van de vader als belanghebbende in de procedure, terwijl de raad voor de kinderbescherming dit juist noodzakelijk acht vanwege het belang van het kind en het herstel van contact tussen vader en kind.
Het hof verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad en de wetswijziging van artikel 798 lid 1 Rv Pro, maar concludeert dat internationale wetgeving, met name artikel 8 EVRM Pro over het recht op respect voor family life, meebrengt dat de vader in deze procedure als belanghebbende moet worden aangemerkt. De nauwe persoonlijke band tussen vader en kind, ondanks het ontbreken van gezag en het langdurige gebrek aan contact, rechtvaardigt deze positie.
Daarnaast bespreekt het hof de positie van de raad voor de kinderbescherming, bevestigt dat deze een overheidsinstantie is die namens de minister optreedt, en wijst het verzoek van de moeder af om de raad niet als belanghebbende te vermelden. Het hof besluit de zaak aan te houden en geeft de vader de mogelijkheid om binnen veertien dagen een verweerschrift in te dienen, waarna de overige partijen hierop kunnen reageren. De zaak zal daarna op de stukken worden afgedaan, tenzij anders besloten wordt.
Uitkomst: Het hof merkt de vader zonder gezag aan als belanghebbende en houdt de beslissing aan voor verdere procesvoering.