ECLI:NL:GHAMS:2020:2728

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 oktober 2020
Publicatiedatum
16 oktober 2020
Zaaknummer
200.239.307/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 168 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating bewijs door getuigenverhoor in geschil over authenticiteit handtekeningen op overeenkomsten

In deze civiele zaak tussen appellant en DTG B.V. staat de authenticiteit van handtekeningen op overeenkomsten centraal, waarbij DTG B.V. stelt dat deze door appellant zijn geplaatst. Het hof verwijst naar eerdere tussenarresten en constateert dat deskundigenonderzoek niet mogelijk is vanwege het ontbreken van originele stukken.

DTG B.V. biedt bewijs aan door het horen van een getuige, terwijl appellant tegenbewijs wenst te leveren met eigen getuigen. Het hof besluit DTG B.V. toe te laten tot het leveren van bewijs via een getuigenverhoor, ondanks het bezwaar van appellant, en wijst op de mogelijkheid van tegenbewijs na het verhoor.

Het getuigenverhoor wordt gepland onder leiding van een raadsheer-commissaris. Het hof houdt verdere beslissingen aan en zal het beroep op gerechtelijke erkenning in een later arrest behandelen. Hiermee wordt het proces voortgezet met het oog op het verkrijgen van inzicht in de feitelijke gang van zaken.

Uitkomst: Het hof staat toe dat DTG B.V. bewijs levert door het horen van een getuige over de authenticiteit van de handtekeningen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.239.307/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/615354 / HA ZA / 16-952
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 oktober 2020
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
appellant,
advocaat: mr. A. Aaryf te Utrecht,
tegen
DTG B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.R.F. van der Mark te Rotterdam.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellant] en DTG genoemd.
In deze zaak is op 7 april 2020 een tweede tussenarrest uitgesproken (hierna het tweede tussenarrest). Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dat tussenarrest verwezen.
Vervolgens hebben partijen de volgende stukken ingediend:
- akte uitlaten van DTG;
- antwoordakte van [appellant] , met producties.
Vervolgens is wederom arrest gevraagd.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tweede tussenarrest heeft het hof overwogen dat het hof geen deskundigenonderzoek zal (kunnen) bevelen naar de authenticiteit van de op de overeenkomsten geplaatste handtekeningen, gelet op de door DTG gedane mededeling dat de originelen van de overeenkomsten niet meer beschikbaar zijn en op de door de beoogde deskundige telefonisch aan de griffier gedane mededeling dat zij geen objectief onderzoek kan verrichten, wanneer zij niet over de originele stukken beschikt. Het hof heeft de zaak naar de rol verwezen opdat DTG zich erover kan uitlaten of, en zo ja, op welke wijze, zij het bewijs wenst te leveren dat de handtekeningen op de overeenkomsten afkomstig zijn van [appellant] .
2.2.
DTG heeft in haar akte (aanvullend) bewijs aangeboden door het horen van [A] als getuige, onder handhaving van haar in deze procedure eerder ingenomen standpunten dat sprake is van een gerechtelijke erkentenis van [appellant] en dat in dit geval sprake zou moeten zijn van een omkering van de bewijslast.
2.3.
Volgens de antwoordakte van [appellant] heeft hij contact opgenomen met het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (NFO) om te bezien of een schrift-vergelijkend onderzoek met de voor handen zijnde stukken toch mogelijk is, gelet op de volgens hem zelfs met het blote oog zichtbare verschillen tussen de handtekeningen. Het onderzoeksrapport van het NFO is als productie aan de akte gehecht. Op de inhoud daarvan die, kort gezegd, gunstig lijkt voor [appellant] , zal het hof, zo nodig, in een later stadium van dit geding ingaan, als DTG daarop kan hebben gereageerd.
2.4.
[appellant] heeft het hof verzocht om het aanbod van DTG tot het horen van [A] als getuige af te wijzen. [appellant] heeft voorts tegenbewijs aangeboden door het horen van getuigen.
2.5.
Het hof zal DTG thans in de gelegenheid stellen overeenkomstig haar aanbod [A] als getuige te doen horen. Het hof is zich ervan bewust dat DTG herhaaldelijk een beroep op een gerechtelijke erkentenis van [appellant] heeft gedaan en zal dat beroep in een later arrest (uiteraard) bespreken, maar wenst nu allereerst zoveel mogelijk inzicht te krijgen in de feitelijke gang van zaken. Voor afwijzing van het horen van [A] als getuige zoals door [appellant] bepleit ziet het hof, mede daarom, geen aanleiding. Op grond van artikel 168 Rv Pro staat, na het verhoor van [A] , van rechtswege voor [appellant] de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs open.
2.6.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.Beslissing

Het hof:
laat DTG toe tot het leveren van bewijs, door middel van het horen van een getuige, van haar stelling dat de overeenkomsten door [appellant] zijn ondertekend;
beveelt dat het getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. D.J. van der Kwaak, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;
bepaalt dat de advocaat van DTG uiterlijk op de rol van 27 oktober 2020 onder opgave van de verhinderdata van partijen, hun advocaten en de door DTG voor te brengen getuige in de periode van november 2020 tot en met januari 2021 aan het (enquêtebureau van het) hof een datum dient te verzoeken voor het bepalen van het getuigenverhoor;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, R.J.M. Smit en S. van Gulijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2020.