Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 3 november 2020 uitspraak gedaan in hoger beroep over de ontbinding van een huurovereenkomst van een sociale huurwoning. De verhuurder vorderde ontbinding en ontruiming omdat de huurder niet zijn hoofdverblijf in de woning zou hebben, wat een ernstige tekortkoming is. De kantonrechter had dit eerder vastgesteld op basis van diverse getuigenverklaringen en bewijs.
De huurder voerde verweer met onder meer verklaringen van buurtbewoners, een begeleider en energieverbruiksgegevens. Het hof heeft alle grieven van de huurder tegen de bewijswaardering van de kantonrechter onderzocht en geoordeeld dat de kantonrechter terecht het bewijs geleverd achtte dat de huurder niet in de woning woonde. De verklaringen van getuigen en het extreem lage energieverbruik spraken dit tegen.
Het hof oordeelde dat het bewijs niet door één enkele verklaring werd gedragen, maar door een samenstel van verklaringen en feiten. Het algemene bewijsaanbod van de huurder was onvoldoende gespecificeerd. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de huurder in de proceskosten.