ECLI:NL:GHAMS:2020:3590
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voortzetting huurovereenkomst na overlijden huurder bij gebrek aan duurzame gemeenschappelijke huishouding
De zaak betreft een vordering van appellante tot voortzetting van de huurovereenkomst van haar overleden vader op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro. Appellante stelde dat zij met haar vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, wat door Eigen Haard werd betwist. De kantonrechter wees de vordering af, stellende dat onvoldoende bijzondere omstandigheden waren gesteld om van een duurzame gemeenschappelijke huishouding te kunnen spreken.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij langdurig met haar vader had samengewoond en financiële bijdragen leverde aan de gezamenlijke huishouding. Tevens overhandigde zij verklaringen van buren en een maatschappelijk werker ter onderbouwing. Het hof oordeelde echter dat de overgelegde bewijsstukken onvoldoende waren om een duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te nemen. De financiële transacties waren onvoldoende concreet onderbouwd, en de verklaringen van derden bevestigden slechts het samenwonen, niet de huishouding.
Daarnaast achtte het hof de periode waarin appellante niet op het adres was ingeschreven en haar inschrijving als woningzoekende als contra-indicaties voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Ook het wederzijdse zorgen voor elkaar werd niet als voldoende bewijs gezien voor een op de toekomst gerichte gemeenschappelijke huishouding.
Het hof verwierp alle grieven van appellante en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter. Appellante werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Hiermee blijft de huurovereenkomst na het overlijden van de vader niet voortgezet op grond van het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen wegens het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.