Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
vooralsnog(cursivering hof) zal blijven afwijzen’ wijst erop dat Vesteda haar standpunt nog zou kunnen wijzigen.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, voormalige echtgenoten en samenwoners met vier minderjarige kinderen, woonden samen in een huurwoning waarvan alleen appellant huurder was. Na het beëindigen van hun affectieve relatie sommeerde appellant geïntimeerde de woning te verlaten en verving hij de sloten. Geïntimeerde verzocht medehuurderschap, maar verhuurder Vesteda weigerde dit.
De kantonrechter veroordeelde appellant tot medewerking aan het verkrijgen van medehuurderschap. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat het alleen op zijn naam staan van de huurovereenkomst een bewuste afspraak was. Het hof oordeelde echter dat dit niet aannemelijk was en dat het huurrecht in onderlinge verhouding aan partijen gezamenlijk toekomt.
Het hof benadrukte dat artikel 7:267 BW Pro de samenwoner beschermt tegenover de verhuurder, niet de onderlinge rechtspositie regelt. Gezien de ongelukkige woonsituatie van geïntimeerde en de kinderen, achtte het hof het redelijk dat appellant meewerkt aan het medehuurderschap. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en compenseerde de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant moet meewerken aan de aanvraag van medehuurderschap door geïntimeerde.