Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Tussen partijen vaststaande feiten
Achtergrond van deze procedure
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Het oordeel van de rechtbank over de rentebeschikking
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een rentebeschikking van de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam. De rechtbank vernietigde de aanslag en de rentebeschikking en kende een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de hoogte van deze vergoeding.
Het Hof stelde vast dat het bezwaarschrift reeds op 8 april 2016 was ontvangen, waardoor de periode tot de uitspraak van de rechtbank op 10 april 2019 ruim 3 jaar bedroeg. De redelijke termijn van twee jaar was derhalve met ongeveer 1,5 jaar overschreden zonder bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen.
Op grond van de richtlijnen van de Hoge Raad werd de Minister veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van €1.500. Tevens werd de Minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €262,50 en het griffierecht van €128. Het Hof vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank betreffende de immateriële schadevergoeding en bevestigde de rest van de uitspraak.
Uitkomst: De Minister wordt veroordeeld tot betaling van €1.500 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.