Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Procesverloop
2.Beoordeling
Chief Executive Officeren lid van de raad van bestuur van SBM. [B] is in 2012 aangetrokken als
Chief Governance and Compliance Officeren is lid van de raad van commissarissen van SBM. [appellant] was van 17 november 2003 tot 6 juni 2012 als bedrijfsjurist werkzaam bij een dochtermaatschappij van SBM. Naar aanleiding van een melding in januari 2012 over mogelijke onregelmatigheden in de betrekkingen tussen een handelsagent van SBM en overheidsfunctionarissen in Equatoriaal-Guinea, heeft SBM intern onderzoek ingesteld. [appellant] was tot zijn ontslag bij dit onderzoek (verder ook: het interne onderzoek) betrokken. [geïntimeerde] , die advocaat is en destijds werkzaam was bij De Brauw Blackstone Westbroek (verder: De Brauw), is op verzoek van SBM vanaf medio 2013 bij het interne onderzoek betrokken. Ook in Angola en Brazilië was sprake van mogelijke onregelmatigheden. Begin april 2012 heeft SBM het Openbaar Ministerie in Nederland (verder: het OM) meegedeeld dat zij intern onderzoek deed naar mogelijke onregelmatigheden in betalingen aan derden in het buitenland. In een persbericht van 10 april 2012 heeft SBM mededeling gedaan van het door haar gestarte interne onderzoek. Op 18 oktober 2013 heeft [appellant] een tekst geplaatst op de Wikipediapagina van SBM. Daarin heeft hij gesteld dat SBM steekpenningen heeft betaald van meer dan 250 miljoen (Amerikaanse) dollar, het interne onderzoek heeft misbruikt om criminele activiteiten toe te dekken en de markt heeft misleid. Op 2 april 2014 heeft SBM in een persbericht mededelingen gedaan over de resultaten van het interne onderzoek. Vermeld is daarin onder meer dat SBM commissie aan handelsagenten in vooral Equatoriaal-Guinea, Angola en Brazilië heeft betaald van ongeveer tweehonderd miljoen dollar, dat er enig bewijs is dat daarvan in Equatoriaal-Guinea en Angola betalingen zijn gedaan aan overheidsfunctionarissen, maar dat geen concreet bewijs is gevonden dat dit in Brazilië ook het geval is geweest. Op 12 november 2014 heeft SBM een schikkingsvoorstel van het OM van 240 miljoen dollar geaccepteerd ter zake van door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst geconstateerd ongeoorloofd doen van betalingen aan handelsagenten en buitenlandse overheidsfunctionarissen. Begin 2014 heeft [appellant] SBM in verschillende publicaties beschuldigd van corruptie, waarop SBM in persberichten van 4 februari 2015 en 14 april 2015 in ontkennende zin heeft gereageerd. SBM sprak in dat verband in laatstgenoemd persbericht van
“malicious allegations”van [appellant] .
rief 1houdt in dat de rechter-commissaris, gezien pagina 5 van het proces-verbaal van voortzetting voorlopig getuigenverhoor van 28 januari 2020, een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd en (bovendien) bij de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] een verschoningsrecht toekomt onvoldoende acht heeft geslagen op de door [appellant] naar voren gebrachte “argumenten, jurisprudentie, feiten en omstandigheden”. Het hof oordeelt als volgt.
Het functioneel verschoningsrecht komt op grond van artikel 165 lid 2 Rv Pro (Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) toe aan een beperkte groep vertrouwenspersonen. Tot die groep vertrouwenspersonen behoren advocaten, die immers uit hoofde van hun beroep tot geheimhouding verplicht zijn. Het verschoningsrecht berust op een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij vertrouwenspersonen, zoals advocaten, het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot de vertrouwenspersoon moet kunnen wenden. Het functioneel verschoningsrecht strekt zich alleen uit tot hetgeen aan een advocaat in zijn hoedanigheid is toevertrouwd.
De vraag is of het hier informatie betreft die aan getuige in zijn hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd. [appellant] meent dat dit niet het geval is. Bij de beoordeling van dit standpunt is van belang te beseffen dat het beroep op het verschoningsrecht van getuige dient te worden beoordeeld vanuit zijn perspectief. Getuige was ten tijde van de gebeurtenissen waarop dit voorlopig getuigenverhoor betrekking heeft geheimhouder. Hij is in hoedanigheid van advocaat ingeschakeld om het interne onderzoek bij SBM te leiden. Daarom valt, naar het oordeel van de rechter-commissaris, in beginsel alle informatie die hij tijdens dit interne onderzoek heeft verkregen en hetgeen hij in het kader van dit interne onderzoek aan SBM heeft geadviseerd onder zijn geheimhoudingsplicht. Het gaat hier immers om niet-publieke informatie die getuige als advocaat in het kader van zijn beroepsuitoefening heeft gekregen en die niet aan hem is verstrekt met als doel deze informatie aan derden mede te delen. Dat het interne onderzoek is opgezet met de intentie de uitkomsten ervan naar buiten te brengen maakt niet dat getuige ervan uit mocht gaan dat alles wat tijdens het interne onderzoek is gebeurdnietonder zijn geheimhoudingsplicht valt. Het is dus aan redelijke twijfel onderhevig of de beantwoording van vragen die betrekking hebben op de inhoud van het interne onderzoek naar waarheid zou(…) kunnen geschieden zonder openbaarmaking van hetgeen verborgen dient te blijven.”
in zijn hoedanigheid van advocaatis ingeschakeld om het interne onderzoek te leiden. Integendeel, het gaat [appellant] juist om informatie die [geïntimeerde] “als advocaat van SBM” heeft verkregen (beroepschrift, §164). Ook [geïntimeerde] spreekt in zijn getuigenverklaring over zijn “hoedanigheid van advocaat van SBM”. Dit zo zijnde is het hof – met de rechter-commissaris – van oordeel dat in beginsel alle voormelde informatie en adviezen onder de geheimhoudingsplicht van [geïntimeerde] vallen, omdat het gaat om niet-publieke informatie die [geïntimeerde] als advocaat in het kader van zijn beroepsuitoefening heeft verkregen en die niet aan hem is verstrekt met als doel deze informatie respectievelijk adviezen aan derden mede te delen. Om die reden is aan redelijke twijfel onderhevig of de beantwoording van vragen die betrekking hebben op de inhoud van het interne onderzoek naar waarheid zou kunnen geschieden zonder openbaarmaking van hetgeen verborgen dient te blijven. In het navolgende zal worden gemotiveerd waarom de door [appellant] onder §179 van zijn beroepschrift (verder: §179) genoemde “argumenten, jurisprudentie, feiten en omstandigheden” het hof geen aanleiding geven in dit concrete geval een ander uitgangspunt te kiezen noch van het gekozen uitgangspunt af te wijken.
cover-up’) en de markt te misleiden.
has recently become aware of certain sales practices involving third parties and which may have been improper. Outside counsel and forensic accountants, reporting to both the Management and Supervisory Boards, have been engaged to investigate these practices thoroughly. The Company has also taken the necessary steps to terminate any such practices. SBM (…) has disclosed its internal investigation to appropriate authorities and is taking remedial action to enhance its compliance programme”.
als advocaatheeft benaderd om het interne onderzoek te doen en dat zowel SBM als [geïntimeerde] hun relatie zien als een tussen advocaat en cliënt. Dit betekent, enerzijds, dat het onderzoek valt binnen de grenzen van de beroepsuitoefening van [geïntimeerde] als advocaat (met als gevolg dat hem in beginsel het desbetreffende functionele verschoningsrecht toekomt), en anderzijds, dat [geïntimeerde] (uiteindelijk) een partijdige belangenbehartiger van zijn cliënte, SBM, is. Wat er zij van de perceptie van hen die in de dagelijkse rechtspraktijk werkzaam zijn en van juristen in het algemeen, het grote (niet juridisch geschoolde) publiek zal bij een door een of meer
externepersonen uitgevoerd
onafhankelijkonderzoek niet bepaald denken aan een onderzoek dat (mede) wordt uitgevoerd door iemand die
als advocaatdoor de betrokkene is ingeschakeld om dat onderzoek te verrichten (en haar naar aanleiding daarvan over haar rechtspositie te adviseren) en die zich daarom in beginsel op een hem toekomend verschoningsrecht kan beroepen. In deze zin acht het hof persberichten als de onderhavige, ofschoon formeel niet onjuist, op z’n minst in potentie misleidend en daarom ongewenst. Dit klemt temeer omdat de resultaten van het ‘onafhankelijke onderzoek’ niet (uitsluitend) aan de cliënt worden uitgebracht, maar ook externe werking hebben, omdat ze met derden worden gedeeld.
te kunnen spreken, is tenminste dat de persoon in kwestie zich als rechtszoekende tot de advocaat heeft gewend vanwege diens hoedanigheid als advocaat.”
Department of Justiceen met Petrobras. Bovendien heeft SBM de uitkomsten van het onderzoek openbaar gemaakt en haar aandeelhouders hierover door middel van persberichten geïnformeerd en heeft zij volgens haar verklaring het OM toegang gegeven tot hetzelfde materiaal als waarover de onderzoekers in het interne onderzoek konden beschikken, met uitzondering van wat SBM zelf heeft aangeduid als “geprivilegieerd materiaal”, waarvoor het verschoningsrecht wel geldt. Ten slotte heeft de rechtbank Rotterdam in haar (onder 2.2.3 genoemde) tussenvonnis van 6 juli 2016 geoordeeld dat [appellant] een rechtmatig belang heeft bij inzage in de correspondentie tussen (de advocaten van) SBM enerzijds en Petrobras respectievelijk het OM anderzijds en is het OM na een Wob-verzoek van het maandblad Quote door de rechter verplicht om de correspondentie tussen (de advocaten van) SBM en het OM aan Quote te verstrekken. Aldus steeds [appellant] .
grief 2komt [appellant] op tegen de beslissing van de rechter-commissaris om per gestelde vraag het door [geïntimeerde] gedane beroep op een hem als advocaat van SBM toekomend verschoningsrecht te honoreren.
bij de correspondentie, zodat ook de[lees:]
inhoud van de correspondentie met het OM onder de geheimhoudingsplicht valt. Dat de schikking met het OM uiteindelijk naar buiten is gebracht, maakt niet dat getuige ervan uit mocht gaan dat hetgeen hij in de aanloop naar deze schikking heeft gecorrespondeerd met het OM niet onder zijn geheimhoudingsplicht valt. Het is dus aan redelijke twijfel onderhevig, ook bij deze vraag, of beantwoording daarvan naar waarheid zou kunnen geschieden zonder openbaarmaking van hetgeen verborgen dient te blijven.”