De zaak betreft een klacht van een erfgenaam tegen een kandidaat-notaris die als executeur was benoemd in een nalatenschap. De kandidaat-notaris werd verweten de erfgenaam jarenlang niet te informeren over haar erfgenaamschap, zijn benoeming tot executeur, de nalatenschap en de afwikkeling daarvan. Tevens werd hem verweten geen tijdige boedelbeschrijving te hebben opgesteld en geen deugdelijke rekening en verantwoording te hebben afgelegd.
De kamer voor het notariaat had de klacht gegrond verklaard en een ontzegging van de waarnemingsbevoegdheid voor onbepaalde duur opgelegd. In hoger beroep vernietigde het hof dit voor zover de klacht betrekking had op de periode dat de kandidaat-notaris niet werkzaam was binnen het notariaat en verklaarde die klachten niet-ontvankelijk. Het hof bevestigde de gegrondheid van de overige klachten en oordeelde dat de maatregel van ontzegging passend was, maar beperkte deze tot vier maanden.
Het hof nam mee dat de kandidaat-notaris geen eigen financieel belang had nagestreefd en dat hij zich had ingezet voor het onderhoud van de nalatenschap. Ook werd rekening gehouden met het feit dat hij nog geen eerdere tuchtmaatregel had gekregen en dat hij had toegezegd geen boedelwerkzaamheden meer te verrichten. De kostenveroordeling werd in hoger beroep niet bevestigd. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.