Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
,en de machtiging tot doorhaling van de inschrijving van dat verbod “bij het Landesgericht Innsbruck”.
Gerechtshof Amsterdam
De man is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter dat het vervreemdings- en bezwaringsverbod opheft dat aan de vrouw was opgelegd met betrekking tot een woning in Oostenrijk. Deze woning staat op naam van de vrouw, maar partijen zijn het eens dat de woning aan de man zou worden overgedragen volgens het echtscheidingsconvenant. De man vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis omdat het belang van behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij directe uitvoerbaarheid.
Het hof overweegt dat de voorzieningenrechter geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad. Het belang van de man bij behoud van de bestaande toestand wordt door het hof zwaarder geacht, mede vanwege het bindend adviesproces en de betrokkenheid van de ouders van de man als economische eigenaren. De vrouw heeft onvoldoende tegenbewijs geleverd dat de bank direct tot executie zal overgaan, mede omdat de bank bereid is executiemaatregelen uit te stellen zolang rente wordt betaald.
Het hof schorst daarom de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis totdat in het hoger beroep in de hoofdzaak is beslist. De beslissing over de proceskosten van het incident wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. Tevens wordt een datum vastgesteld voor de mondelinge behandeling van de hoofdzaak.
Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het vonnis dat het vervreemdings- en bezwaringsverbod opheft wordt geschorst totdat in het hoger beroep in de hoofdzaak is beslist.