Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
1.016,00
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak vordert eiseres de opheffing van het vervreemdings- en bezwaringsverbod op een woning in Oostenrijk, dat was opgelegd in eerdere vonnissen. Het geschil betreft de verdeling van de huwelijksgemeenschap na echtscheiding en de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime. De woning staat juridisch op naam van eiseres, maar er is discussie over de economische eigendom en de waarde van de woning.
Eiseres stelt dat het faillissement van gedaagde is opgeheven wegens gebrek aan baten en dat gedaagde geen belang meer heeft bij handhaving van het verkoopverbod. De bank heeft een executieverkoop aangekondigd vanwege niet-betaalde leningen. Gedaagde verzet zich tegen de verkoop en beroept zich op het convenant dat hem recht geeft op overdracht van de woning, mede namens zijn ouders die volgens hem economisch eigenaar zijn.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verkoopverbod niet langer opportuun is omdat gedaagde geen belang meer heeft en de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime voorlopig niet zal plaatsvinden. De stelling dat de ouders economisch eigenaar zijn, wordt betwist en onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt het verkoopverbod opgeheven en mag eiseres medewerking verlenen aan executoriale verkoop. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het vervreemdings- en bezwaringsverbod op de Oostenrijkse woning wordt opgeheven en executoriale verkoop wordt toegestaan.