ECLI:NL:GHAMS:2021:1692
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herstel gezag en wijziging hoofdverblijfplaats; vaststelling minimale omgangsregeling voor minderjarige met reactieve hechtingsstoornis
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die haar verzoek tot herstel van het gezag over haar minderjarige zoon, wijziging van zijn hoofdverblijfplaats en opheffing van jeugdbeschermingsmaatregelen heeft afgewezen. De minderjarige is sinds 2012 uithuisgeplaatst en woont momenteel op een behandelgroep vanwege een reactieve hechtingsstoornis en andere problematiek.
De moeder betwist de diagnose en stelt dat zij inmiddels in staat is om voor haar kinderen te zorgen, en verzoekt subsidiair om een omgangsregeling. De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming adviseren het hof de beschikking te bekrachtigen, stellende dat de bijzondere zorgbehoeften van de minderjarige niet door de moeder kunnen worden vervuld.
Het hof overweegt dat herstel van het gezag en wijziging van de hoofdverblijfplaats niet in het belang van de minderjarige zijn vanwege zijn kwetsbaarheid en de noodzaak van gespecialiseerde zorg op de behandelgroep. Wel wordt de moeder ontvankelijk verklaard in haar verzoek om een omgangsregeling, maar vanwege praktische en zorggerelateerde beperkingen wordt slechts een minimale omgang van één contactmoment per maand vastgesteld, met ruimte voor uitbreiding op geleide van de GI.
Het verzoek van de vader om de minderjarige te horen wordt afgewezen, mede omdat de minderjarige zelf geen gesprek wenst. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het overige af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot herstel van gezag en wijziging hoofdverblijfplaats af en stelt een minimale omgangsregeling van één contactmoment per maand vast.