ECLI:NL:GHAMS:2021:2779
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beoordeling huurregime studeervertrek: woonruimte of bedrijfsruimte
In deze zaak stond centraal of de huurovereenkomst voor een studeervertrek moest worden gekwalificeerd als huurovereenkomst van woonruimte of als huurovereenkomst onder artikel 7:230a BW voor overige bedrijfsruimte. De appellant stelde dat de ruimte als onderdeel van haar woonruimte moest worden beschouwd, terwijl de geïntimeerde dit betwistte.
Het hof heeft getuigenverhoren verricht, waarbij de appellant en haar vader als getuigen zijn gehoord. De verklaringen van de appellant en haar vader bevestigden in hoofdlijnen het standpunt van appellant, maar het hof achtte deze onvoldoende overtuigend en van beperkte bewijskracht, mede omdat de verklaringen onvoldoende detail bevatten en mogelijk beïnvloed waren door familiebanden.
De huurovereenkomst vermeldde expliciet dat de ruimte als studeervertrek werd verhuurd, een bestemming die niet per definitie woonruimte impliceert. De casco staat van de ruimte en het ontbreken van voorzieningen zoals een toilet, evenals de vermelding dat er geen btw werd gerekend, wezen erop dat de verhuurder de ruimte als bedrijfsruimte beschouwde.
Het hof concludeerde dat appellant niet is geslaagd in haar bewijsopdracht en dat de toepassing van artikel 7:230a BW door de kantonrechter terecht was. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en appellant werd veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de huurovereenkomst wordt gekwalificeerd als bedrijfsruimte onder artikel 7:230a BW.