Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] ,
[appellante sub 2]
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen broers over de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder, die leed aan gevorderde dementie. De moeder had een levenstestament en gevolmachtigden, waaronder een van de appellanten. Na haar overlijden ontstond onenigheid over onverschuldigde betalingen en onrechtmatige onttrekkingen van gelden uit haar vermogen.
De rechtbank had appellanten veroordeeld tot betaling van een bedrag van €129.402,41 aan geïntimeerde, met wettelijke rente vanaf de datum van overlijden van de moeder. Appellanten stelden in hoger beroep dat zij geen onrechtmatig handelen hadden gepleegd en dat geïntimeerde zijn vordering deels al had ontvangen. Geïntimeerde stelde dat appellanten bankafschriften hadden vervalst en gelden hadden verzwegen, waardoor een deel van het aandeel van een appellant in de nalatenschap was verbeurd.
Het hof oordeelde dat appellanten onverschuldigd een bedrag van €167.492,- hadden ontvangen en dat een bedrag van €44.000,- bewust was verborgen gehouden door vervalsing van bankafschriften. Hierdoor verbeurde een appellant zijn aandeel in dat bedrag aan geïntimeerde. Het hof vernietigde het eerdere vonnis voor zover het appellanten veroordeelde tot €129.402,41 en veroordeelde hen in plaats daarvan tot betaling van €151.402,40 plus wettelijke rente vanaf 27 december 2017. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Appellanten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €151.402,40 plus wettelijke rente vanaf 27 december 2017 wegens onverschuldigde betalingen en verzwijging van nalatenschapsgoederen.