Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
grief I in incidenteel appelis deze feitenvaststelling aangevochten. Het hof houdt hieronder rekening met het bij deze grief aangevoerde. Daarmee behoeft deze grief geen verdere behandeling. De niet in geschil zijnde feiten dienen ook het hof tot uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere niet ter discussie staande feiten, komen de feiten neer op het volgende.
6.Lasten en beperkingen
tot 5 jaar na heden zie artikel 7 (…) [verkoper] . TPS gaat op 28 juni 2005 nog een gesprek aan met IMCA., hof]
11. De koopprijs
- bij oplevering van het eerste appartement in bovenstaand object doch uiterlijk op 1 juli 2010 zal koper op eerste afroep van verkoper aan verkoper een eenmalige vaste betaling doen ter grootte van € 200.000,- exclusief BTW, zulks ongeacht het projectresultaat;
- ingeval het onderhavige object door koper wordt doorverkocht voordat het eerste appartement is opgeleverd -ongeacht de hoogte van de verkoopopbrengst- , is bovenstaand bedrag eveneens onmiddellijk opeisbaar en verschuldigd aan verkoper;
- koper zal verkoper onverwijld mededeling doen indien en zodra sprake is van de oplevering van het eerste appartement of een eventuele eerdere doorverkoop;
- de titel van deze nabetalingsregeling is goodwillvergoeding en vergoeding voor door verkoper gemaakte plankosten en verrichte werkzaamheden met betrekking tot (de herontwikkeling van) het project.
Partijen zijn overeengekomen deze regeling ook op te nemen in de akte van levering.
- Het amoveren van het bestaande gebouw, waarbij het constructieve Casco zou worden gehandhaafd.
- Het inbouwen van appartementen in het bestaande Casco.
uiteindelijk financieel, constructief maar ook ruimtelijk niet haalbaar te zijn. Daar kwam veel weerstand op. Daarnaast had de gemeente [gemeente] een sterke voorkeur ontwikkeld voor sloop van het bestaande kantoorpand en realisatie van een woongebouw tegen het water (haven). Daardoor werd Havendreef in een richting geduwd waardoor zij haar oorspronkelijke plannen moest verlaten en een ander plan heeft ontwikkeld wat wél op draagvlak in realisatie kon rekenen.
3.3. De beoordeling
rief II in principaal appelstelt de kernvraag in deze zaak aan te orde, te weten de vraag of Havendreef op grond van de nabetalingsregeling een bedrag van € 200.000,00 aan, inmiddels, de curator verschuldigd is. Partijen twisten daarbij over de vraag aan de hand van welk criterium de nabetalingsregeling dient te worden uitgelegd. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat de nabetalingsregeling moet worden uitgelegd volgens de “gewone” Haviltex-maatstaf, ook al is dit beding neergelegd in een notariële akte. Het beding regelt immers niet de goederenrechtelijke situatie (de overdracht van het onroerend goed) waarvoor de objectieve uitlegmaatstaf bepalend is, maar de daaraan ten grondslag liggende obligatoire afspraken. De in dit geval toe te passen maatstaf houdt in dat het bij de uitleg van een beding aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij kan van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen de contracterende partijen behoren en welke rechtskennis van dergelijke partijen kan worden verwacht. Grief II in principaal appel, die op toepassing van deze maatstaf aanstuurt, slaagt dus op dit punt.
slechtsin de onder e genoemde situatie geen aanspraak op het bedrag van € 200.000,00 zou kunnen worden gemaakt. Die beperkte reikwijdte is echter een eigen interpretatie van de curator en volgt niet uit de tekst zelf. De redenering van de curator is gebaseerd op aannames die - temeer in het licht van de gemotiveerde betwisting door Havendreef - onvoldoende zijn onderbouwd. De betrokkenheid van een notaris bij de opstelling van de tekst van de nabetalingsregeling maakt dit niet anders. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Havendreef heeft haar stelling dat in de zich voorgedane situatie, waarin geen daadwerkelijke herontwikkeling van het Zilveren Kruis gebouw tot appartementencomplex meer kon plaatsvinden, het bedrag van € 200.000,00 niet meer verschuldigd zou zijn, uitgebreid onderbouwd met verklaringen van [vennoot 1] , [bestuurder 2] en [bestuurder 1] . Als niet, althans onvoldoende weersproken staat vast dat het juist deze personen zijn geweest, die destijds met elkaar hebben onderhandeld en uiteindelijk de nabetalingsregeling hebben afgesproken. Zij hebben allen eenduidig verklaard. De curator heeft de geloofwaardigheid van de verklaring van [bestuurder 2] , die ten tijde van het afleggen van zijn verklaring niet meer bij Havendreef betrokken was, niet betwist. De curator heeft nog geopperd dat [vennoot 1] met Havendreef onder een hoedje zou spelen. Daarvoor ontbreken echter voldoende aanknopingspunten. Een verwijzing naar het faillissement van Imca is in ieder geval onvoldoende. Ten slotte gaat het hof voorbij aan de betwisting door de curator van de stelling van Havendreef dat het beoogde appartementencomplex niet kon worden gebouwd. Die betwisting heeft de curator immers alleen onderbouwd met de stelling dat de bestemming ter plekke uiteindelijk is gewijzigd in ‘wonen’ en Havendreef vervolgens het initiatief heeft gehad bij de herontwikkeling en indeling van het gebied. Dat is te weinig tegenover de inhoud van de eerdere correspondentie van de zijde van het college van B&W op grond waarvan Havendreef de ontwikkeling volkomen anders ter hand heeft moeten nemen. Daarna en kennelijk daarom is bovendien van de zijde van Imca nooit aanspraak op nabetaling gemaakt. Al met al heeft de curator onvoldoende gesteld. Bewijslevering is daarmee niet aan de orde. Grief II in principaal appel slaagt dus ook voor het overige.
de overige grieven in principaal appeloverbodig. Het principaal appel slaagt.
De grieven III en IV in incidenteel appelzien op de volgens de curator over het bedrag van € 200.000,00 verschuldigde rente. Omdat dit bedrag niet toewijsbaar wordt geoordeeld, kunnen ook deze grieven niet slagen. Het incidenteel appel faalt.