ECLI:NL:GHAMS:2021:3520
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn bezwaar inkomstenbelasting 2005
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2005, waarbij de aftrek eigen woning was gecorrigeerd. Na een langdurige procedure verklaarde de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het Gerechtshof bevestigde dit oordeel. De redelijke termijn werd berekend vanaf ontvangst van het bezwaarschrift in april 2010 tot de uitspraak van de Rechtbank in februari 2020. De overschrijding werd echter verminderd door perioden waarin bijzondere omstandigheden golden, zoals de gelijktijdige afhandeling van bezwaren over 2006-2008 en de latere uitspraak op bezwaar in april 2019.
Het Hof oordeelde dat gedurende de periode tussen de beslissing over 2006-2008 en de mededeling over het intrekken van betalingsuitstel in 2018 geen spanning en frustratie bij belanghebbende kon worden aangenomen, omdat hij redelijkerwijs dacht dat het bezwaar over 2005 ook was afgedaan. Ook na de uitspraak op bezwaar in 2019 was er geen reden voor immateriële schadevergoeding.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade werd afgewezen. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.