ECLI:NL:GHAMS:2021:3632

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 oktober 2021
Publicatiedatum
24 november 2021
Zaaknummer
20/00394
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 Wet MB 1994Art. 37 Wet MB 1994Art. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 7, derde lid, Wet MB 1994Art. 73, eerste lid, aanhef en onder a, Wet MB 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wegens hoofdverblijf in Nederland

Het Gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van belanghebbende tegen een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een verzuimboete opgelegd door de inspecteur. De aanslag betrof het gebruik van een auto met Tsjechisch kenteken op Nederlandse wegen terwijl belanghebbende volgens de inspecteur haar hoofdverblijf in Nederland had.

De rechtbank Noord-Holland had eerder de aanslag en boete bevestigd, uitgaande van de inschrijving van belanghebbende in de Nederlandse basisregistratie personen, die als bewijs van hoofdverblijf in Nederland werd gezien. Het hof heeft echter geoordeeld dat belanghebbende met haar verklaringen en ingebrachte stukken voldoende tegenbewijs heeft geleverd dat zij op 9 december 2017 haar hoofdverblijf in Tsjechië had.

Belanghebbende verklaarde gewoonlijk in haar eigen huis in Tsjechië te verblijven, waar zij zorg droeg voor haar zieke ouders, en slechts incidenteel voor korte periodes naar Nederland te komen. Het hof achtte deze verklaringen geloofwaardig en oordeelde dat het begrip hoofdverblijf in lijn moet worden gebracht met het begrip gewone verblijfplaats uit de Europese richtlijn.

Daarmee ontbrak de grondslag voor de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. Het hof vernietigde de eerdere uitspraak en de aanslag en boete, veroordeelde de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd mondeling gedaan op 19 oktober 2021 door een meervoudige belastingkamer van het hof.

Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigt de naheffingsaanslag en boetebeschikking omdat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat haar hoofdverblijf in Tsjechië was.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 20/00394
19 oktober 2021
vierde meervoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[X] , te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. D. Rezaie)
tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 18/4492 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 2 juni 2020 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2021.

Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de met dagtekening 23 april 2018 aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van € 6.835 die is berekend over de periode 1 januari 2013 tot en met 8 december 2017 en de daarmee gelijktijdig bekendgemaakte boetebeschikking van € 5.278;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.366;
  • gelast de inspecteur aan belanghebbende het in beroep (€ 46) en hoger beroep (€ 131) betaalde griffierecht te vergoeden (totaal: € 177).

Gronden

1. De inspecteur heeft op voet van artikel 34 van Pro de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MB 1994) motorrijtuigenbelasting van belanghebbende nageheven, omdat de politie op 9 december 2017 heeft geconstateerd dat zij met een auto met Tsjechisch kenteken (hierna: de auto) van de weg in Nederland gebruikmaakte. Daarbij heeft hij ook op voet van artikel 37 Wet Pro MB 1994 in verbinding met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een verzuimboete aan belanghebbende opgelegd.
2. Omdat belanghebbende ten tijde van de constatering van het gebruik van de weg met de auto stond ingeschreven in de (Nederlandse) basisregistratie personen, wordt zij behoudens tegenbewijs geacht op dat moment in Nederland haar hoofdverblijf te hebben gehad (artikel 7, derde lid, Wet MB 1994). Het begrip ‘hoofdverblijf’ moet worden uitgelegd conform het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in artikel 7 van Pro Richtlijn 83/182/EEG. Dat is, kortgezegd en voor zover hier van belang, de plaats waar iemand gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen verblijft.
3. Belanghebbende is erin geslaagd het hiervoor bedoelde tegenbewijs te leveren. Zij heeft namelijk met haar verklaringen ter zitting bij het Hof, die het Hof mede in het licht van de door haar ingebrachte stukken van het geding en hetgeen overigens ter zitting is verhandeld geloofwaardig acht, aannemelijk gemaakt dat zij op 9 december 2017 haar hoofdverblijf (in de zin van hetgeen onder 2 is opgenomen) in Tsjechië had. Deze verklaringen houden onder meer in dat zij gewoonlijk in haar eigen huis in Tsjechië verbleef, alwaar zij de zorg op zich nam voor haar zieke ouders, en een keer of vier per jaar voor een periode van ongeveer twee weken naar Nederland kwam voor een bezoek aan Nederlandse vrienden en haar echtgenoot, met wie zij een relatie op vriendschappelijk niveau (niet zijnde een klassieke man-vrouw relatie) onderhoudt.
4. Met het vorenoverwogene ontvalt, mede gelet op artikel 73, eerste lid, aanhef en onder a, Wet MB 1994, de grond aan de naheffingsaanslag, en daarmee ook aan de boetebeschikking, zodat het hoger beroep gegrond is. Daarbij bestaat aanleiding de inspecteur op voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor beroepsmatig verleende bijstand, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 3.366 (2,5 punten voor de beroepsfase, 2 punten voor de hogerberoepsfase, waarde per punt € 748 en wegingsfactor 1).
De mondelinge uitspraak is gedaan op 19 oktober 2021 door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter en de griffier. De beslissing is op de datum van de mondelinge uitspraak in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.