2.1.De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
1. Eiser is op 28 februari 2017 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2016. In deze brief is vermeld dat de aangifte voor 1 mei 2017 moet zijn ingediend.
2. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 van eiser, welke is gedagtekend 25 maart 2017.
3. Op 6 juni 2017 heeft verweerder een herinnering gestuurd voor het doen van aangifte en op 7 juli 2017 een aanmaning.
4. Tot de stukken van het geding behoort een brief gedagtekend 11 augustus 2017 van verweerder gericht aan eiser. In deze brief staat voor zover van belang het volgende:
“(...) U heeft over het belastingjaar 2016 een onjuist aangiftebiljet inkomstenbelasting ingediend. (...)
Voorbeelden van een onjuiste aangifte kunnen zijn:
(...)
Een kopie van de aangifte of een mix van een originele aangiftebladen en kopie aangiftebladen. (....)
5. Tot de stukken van het geding behoort voorts een brief gedagtekend 17 augustus 2017 van verweerder gericht aan eiser. In deze brief staat voor zover van belang het volgende:
“ (...) N.a.v. uw telefonisch verzoek van vandaag, deel ik u het volgende mede.
Het indienen van een kopie aangifte IB 2016 is niet mogelijk
Alleen originele aangiften worden verwerkt.(...)”
6. De aangifte IB/PVV 2016 is door de belastingdienst ontvangen op 13 december 2017.
7. Eiser was het gehele jaar 2016 eigenaar van twee woningen, te weten de woning gelegen aan [adres 1] te [plaats 1] en de woning gelegen aan [adres 2] te [plaats 2] .
8. Eiser heeft de woning te [plaats 1] verkregen op 29 maart 1990. Deze woning is gefinancierd met een lening van [X] NV. Het saldo van deze lening bedroeg op 1 januari 2016 € 27.300. In 2016 is ter zake van deze lening een bedrag van € 591 aan rente betaald. De WOZ waarde van deze woning bedroeg in 2016 € 389.000.
9. Eiser heeft op 9 januari 2007 de woning te [plaats 2] in eigendom verkregen. De aankoop van deze woning heeft eiser gefinancierd door middel van hypothecaire leningen ten bedrage van € 280.000. De op deze leningen betaalde rente bedroeg in 2016 € 6.820. Daarnaast heeft eiser ter zake van de aankoop van deze woning een bedrag van € 105.000 geleend van zijn kinderen en € 172.000 van [Y] BV. De rente op deze leningen bedroeg in 2016 € 6.300 respectievelijk € 8.944.
10. Eiser heeft met ingang van 2011 de woning in [plaats 2] als hoofverblijf in gebruik genomen.
11. Eiser heeft de woning in [plaats 1] in 2016 ter verkoop aangeboden en deze in het tweede kwartaal van 2017 verkocht voor een bedrag van € 565.305, na aftrek van kosten.
12. De saldi van de bankrekeningen van eiser bedroegen op 1 januari 2016 € 33.694. Eiser heeft ter zake van deze saldi een rente ontvangen ten bedrage van € 398.
13. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.641 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 327. Verweerder heeft hierbij de woning in [plaats 1] aangemerkt als eigen woning en de woning in [plaats 2] in de rendementsgrondslag van box 3 begrepen.
14. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.867 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.958 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Verweerder heeft hierbij de woning in [plaats 2] aangemerkt als eigen woning en de woning in [plaats 1] in de rendementsgrondslag van box 3 begrepen.
15. Tegen deze uitspraken op bezwaar is eiser in beroep gekomen.”