Belanghebbende werd op 27 mei 2019 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto zonder betaling geparkeerd stond op een locatie in Amstelveen waar parkeerbelasting verschuldigd is. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde onder meer dat zijn auto deels op het trottoir stond, wat volgens hem het belastbaar feit zou uitsluiten.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om aan te tonen dat de auto daadwerkelijk op het trottoir stond op het moment van constatering en dat het geringe gebruik van de stoeprand niet als parkeren op het trottoir kon worden aangemerkt. Belanghebbende kreeg geen gelijk en het bezwaar werd ongegrond verklaard.
In hoger beroep bevestigde het Hof dit oordeel. Uit de overgelegde foto's bleek dat de auto nagenoeg geheel op de parkeerplaats stond en het geringe gebruik van het trottoir niet relevant was voor het belastbaar feit. Ook het beroep op het legaliteitsbeginsel slaagde niet. Daarnaast werd geoordeeld dat de heffingsambtenaar niet verplicht was belanghebbende te horen voorafgaand aan de beslissing op bezwaar.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 7 december 2021.