ECLI:NL:GHAMS:2021:4102
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- F.G.F. Peters
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- A. Vroon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslagen IB/PVV wegens nieuw feit zonder ambtelijk verzuim
Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 2014 tot en met 2017 wegens het niet aangeven van alimentatie-inkomsten die zij ontving via een rechtstreekse doorbetaling van het pensioenfonds van haar ex-partner. De Inspecteur ontdekte dit nieuwe feit pas in 2018 na signalen uit de aangifte van de ex-partner over 2017. Belanghebbende voerde aan dat de Inspecteur al eerder beschikte over deze gegevens en dus een ambtelijk verzuim had begaan door het dossier van de ex-partner niet te raadplegen.
De Rechtbank oordeelde dat er sprake was van een nieuw feit en dat de Inspecteur niet verplicht was het dossier van de ex-partner te betrekken, omdat de aangiften van belanghebbende geen aanleiding gaven tot nader onderzoek. De Rechtbank stelde dat belanghebbende mogelijk kwader trouw was, maar dit werd door het Hof verworpen omdat de Inspecteur dit niet had gesteld.
In hoger beroep bevestigde het Hof dat de Inspecteur mocht vertrouwen op de juistheid van de aangiften van belanghebbende en dat geen onderzoeksplicht bestond tot raadpleging van het dossier van de ex-partner zonder aanleiding. Het Hof concludeerde dat de Inspecteur geen ambtelijk verzuim had gepleegd en dat het nieuwe feit rechtvaardigt dat navorderingsaanslagen zijn opgelegd. Daarnaast oordeelde het Hof dat de door belanghebbende gevraagde gegevens van de ex-partner niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoorden en dat de proceskostenveroordeling terecht was afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen blijven in stand.