Uitspraak
1.ABN AMRO SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
ABN AMRO BANK N.V.,
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele procedure bij het gerechtshof Amsterdam is een incident behandeld betreffende de vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten door ABN AMRO Schadeverzekeringen N.V. en ABN AMRO Bank N.V. tegen appellant, die in Turkije woont maar de Nederlandse nationaliteit bezit.
Het hof heeft vastgesteld dat appellant op grond van artikel 17 lid 1 van Pro het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 vrijgesteld is van het stellen van zekerheid voor proceskosten, aangezien hij onderdaan is van Nederland. Dit werd bevestigd door het overleggen van een Nederlands paspoort. De vermeende Turkse nationaliteit kon niet met voldoende bewijs worden vastgesteld.
De stelling van ABN AMRO dat appellant misbruik van recht maakt door niet vrijwillig te voldoen aan proceskostenveroordelingen werd door het hof verworpen. Het hof oordeelde dat dit onvoldoende grond is om het verdrag buiten toepassing te laten.
Daarom werd de vordering tot zekerheidstelling afgewezen en de kosten van het incident aan ABN AMRO en AAS opgelegd. De hoofdzaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling.
Uitkomst: De vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten wordt afgewezen omdat appellant als Nederlandse onderdaan vrijgesteld is op grond van het Haags Rechtsvorderingsverdrag.