ECLI:NL:GHAMS:2022:1341
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toewijzing incidentele vordering tot oproeping vennoten vennootschap onder firma in hoger beroep
In deze civiele zaak tussen de vennootschap onder firma [X] en [geïntimeerde] heeft het gerechtshof Amsterdam een incidentele vordering behandeld waarbij [geïntimeerde] verzocht om de vennoten van [X] in hoger beroep te mogen oproepen. Dit verzoek vloeit voort uit het feit dat de vennoten niet als eiser in eerste aanleg zijn betrokken, terwijl zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap.
De kantonrechter had eerder een gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [X] toegekend, terwijl de reconventionele vordering van [geïntimeerde] was afgewezen. Nu [geïntimeerde] in hoger beroep incidenteel wil appelleren tegen die afwijzing, is het van belang dat hij zijn vordering ook tegen de vennoten kan richten om dubbele procedures te voorkomen.
Het hof overweegt dat op grond van het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020 artikel 118 Rv Pro ook voor het eerst in hoger beroep toepassing kan vinden om derden, hier de vennoten, in het geding te betrekken. Gezien de samenhang van de vorderingen en het belang van proceseconomie wordt de vordering toegewezen. De beslissing over de kosten wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak, die tevens wordt verwezen voor memorie van antwoord na oproeping van de vennoten.
Uitkomst: Het hof wijst de incidentele vordering toe en stelt [geïntimeerde] in de gelegenheid om de vennoten van de vennootschap onder firma in hoger beroep op te roepen.