Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Verdere verloop van het geding in hoger beroep
2. Feiten
grief Ibetoogt [appellante] dat de kantonrechter niet alle relevante vaststaande feiten en/of door [geïntimeerde] niet weersproken stellingen van [appellante] onder de vaststaande feiten heeft opgenomen. De kantonrechter was daartoe echter niet gehouden, reden waarom de grief faalt. Omdat de (wel) vastgestelde feiten in hoger beroep niet in geschil zijn, dienen zij ook het hof als uitgangspunt. Het hof ziet geen aanleiding al deze feiten te herhalen, maar zal volstaan met wat hierna zal worden vermeld. Vanzelfsprekend zal het hof bij de beoordeling met alle vaststaande feiten en met alle stellingen van partijen rekening houden.
3.Beoordeling
firmmatras heeft gekocht maar dat uit informatie van Auping blijkt dat deze voor mensen van haar lengte en gewicht (circa 1,65 meter/50 kilo) niet geschikt is (voor haar zou slechts een
softmatras passend zijn) stuit erop af dat [appellante] nou eenmaal een
firmmatras van [geïntimeerde] heeft gekocht. [appellante] heeft geen (voldoende duidelijk) beroep gedaan op enig wilsgebrek noch op een tot ontbinding leidende tekortkoming van [geïntimeerde] ten aanzien van zijn advisering aan haar ten tijde van het sluiten van de koop.
grief XIV, die uit verschillende onderdelen bestaat, stelt [appellante] dat de kantonrechter met betrekking tot het eindvonnis een aantal procedurele verzuimen heeft begaan. Zo zou zij [appellante] ten onrechte niet de mogelijkheid hebben geboden te reageren op de akte van [geïntimeerde] van 14 november 2018, zou zij ten onrechte een nadere productie van [geïntimeerde] , te weten een brief van [X] van 14 juni 2019, hebben geaccepteerd, althans [appellante] niet in de gelegenheid hebben gesteld op die brief te reageren, en zou zij ten onrechte niet zijn ingegaan op het door [appellante] bij gelegenheid van de contra-enquête gedane (nadere) bewijsaanbod in de vorm van een reactie op de akte van 14 november 2018.
nietnon-conform, dus deugdelijk (wel conform) was. [appellante] gaat er hier ten onrechte van uit dat [geïntimeerde] bij het tussenvonnis was belast met het zogeheten tegendeelbewijs (vgl. art. 7:18 lid 2 BW Pro), terwijl hij slechts was belast met het tegenbewijs tegen een door de kantonrechter aangenomen bewijsvermoeden. De bewijslast heeft de kantonrechter in het tussenvonnis echter op [appellante] gelegd. In het kader van de beoordeling van de grieven II en III heeft het hof geoordeeld dat die bewijslastverdeling juist is.