ECLI:NL:GHAMS:2022:1983
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over omgangsregeling en opbouwcontact minderjarige kinderen na scheiding ouders
De zaak betreft een geschil tussen gescheiden ouders over de omgangsregeling met hun twee minderjarige kinderen. De rechtbank had eerder een regeling vastgesteld waarbij de kinderen grotendeels bij de vrouw verblijven en de man op bepaalde dagen omgang heeft. De vrouw kwam in hoger beroep met een verzoek tot wijziging van de zorgregeling, met name over de verblijfsdagen van de kinderen bij de man en een opbouwregeling voor de jongste.
De man verzocht om afwijzing van het verzoek van de vrouw en stelde zelf een zorgregeling voor die grotendeels overeenkomt met de bestaande regeling, met aanvullingen voor een opbouwcontact voor de jongste. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een zorgregeling met een goede balans tussen beide ouders en een opbouwregeling voor het jongste kind.
Het hof oordeelde dat het belang van de kinderen het best gediend is met een regeling waarbij de kinderen op donderdag na de buitenschoolse opvang bij de man verblijven tot vrijdag naar school, in de oneven weken van vrijdag tot maandag bij de man verblijven, en in de even weken tot 18.00 uur bij de man verblijven waarna zij naar de vrouw gaan. Het videobellen op dinsdagavond werd niet gehandhaafd. Voor het jongste kind werd een opbouwregeling vastgesteld van contact met de man, begeleid door ouderbegeleiding, met een termijn van zes maanden waarna de reguliere zorgregeling zal gelden.
De verzoeken tot benoeming van een deskundige werden afgewezen vanwege het lopende hulpverleningstraject. De vrouw werd niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot schorsing van de werking van de eerdere beschikking. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en de nieuwe zorgregeling vastgesteld.
Uitkomst: Het hof stelde een gewijzigde zorgregeling vast en bepaalde een opbouwregeling voor het contact tussen de man en de jongste minderjarige voor zes maanden.