ECLI:NL:GHAMS:2022:2612
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over ontruiming sociale huurwoning en redelijkheid van beëindigingsovereenkomst
De zaak betreft een hoger beroep van woningstichting Rochdale tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam, waarin de ontruimingsvordering tegen huurster [geïntimeerde 1] en andere bewoners van een sociale huurwoning werd afgewezen.
De feiten zijn dat [geïntimeerde 1] sinds 2008 de woning huurt en volgens de huurovereenkomst haar hoofdverblijf in de woning moet houden en het niet aan derden mag verhuren of in gebruik geven. Rochdale stelde dat [geïntimeerde 1] de woning had verlaten en aan derden in gebruik had gegeven, wat zij betwistte. Na onderzoek en correspondentie ontstond een beëindigingsovereenkomst waarbij huurster zou ontruimen, maar zij stelde later dat zij onder druk was gezet en haar medische situatie onvoldoende was meegewogen.
De kantonrechter oordeelde dat sprake was van misbruik van omstandigheden door Rochdale en dat het langdurig verblijf van huurster in het buitenland met medische problemen niet tot verlies van hoofdverblijf leidde. Het hof bevestigt dit oordeel, wijst de grieven van Rochdale af en bekrachtigt het vonnis, omdat het beroep op de beëindigingsovereenkomst onder de gegeven persoonlijke omstandigheden onaanvaardbaar is en onvoldoende bewijs is geleverd van verboden ingebruikgeving of verlies van hoofdverblijf.
Rochdale wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam op 6 september 2022.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de ontruimingsvordering van Rochdale af.