Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2022:2959

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 oktober 2022
Publicatiedatum
18 oktober 2022
Zaaknummer
200.305.654/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen spoedeisend belang bij ontruiming woonruimte wegens overlast door verzamelaar

Rochdale is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam waarin een verzoek tot ontruiming van een woning wegens overlast werd afgewezen. De huurder, een verzamelaar, veroorzaakt volgens Rochdale hinder en overlast voor omwonenden, wat strijdig zou zijn met de huurovereenkomst. De kantonrechter oordeelde dat de overlast onvoldoende concreet was aangetoond en dat de verzamelwoede onder controle leek.

In hoger beroep heeft het hof beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij een onverwijlde ontruiming. Rochdale heeft onvoldoende gesteld over recente overlast na het vonnis van de kantonrechter. Het hof concludeert dat een onmiddellijke ontruiming niet gerechtvaardigd is en dat Rochdale een bodemprocedure kan starten om haar rechten te doen gelden.

Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt Rochdale in de kosten van het hoger beroep. De uitspraak benadrukt het belang van voldoende concrete onderbouwing van spoedeisendheid bij kort geding procedures in huurgeschillen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de ontruiming wegens overlast niet spoedeisend is en wijst de vordering van Rochdale af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.305.654/01 KG
zaaknummer rechtbank Amsterdam : KK 21-799
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 oktober 2022
inzake
WONINGSTICHTING ROCHDALE,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. R.N.E. Visser te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.H. Bouwman te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Rochdale en [geïntimeerde] genoemd.
Rochdale is bij dagvaarding van 14 januari 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 22 december 2021, in kort geding gewezen tussen Rochdale als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Rochdale heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog haar vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, inclusief de nakosten.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten.

2.Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis onder 1.1 en 1.2 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3.Beoordeling

3.1.
[geïntimeerde] huurt sinds 1 april 2009 van Rochdale de woning aan de [adres] te [plaats] (verder: de woning). [geïntimeerde] is een verzamelaar (‘hoarder’). Vanaf in elk geval 2017 heeft Rochdale hierover en over andere vormen van overlast meldingen gekregen. De gemeente Amsterdam heeft de woning op 12 april 2021 gedwongen leeggeruimd. Op 13 juli 2021 is in het zogeheten Groot Overleg van het meldpunt Zorg en Woonoverlast Stadsdeel Zuid besloten tot “einde interventie met laatste kansbeleid” voor [geïntimeerde] .
3.2.
Bij dagvaarding van 17 november 2021 heeft Rochdale [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard en de ontruiming door [geïntimeerde] van de woning gevorderd, met nevenvorderingen. Rochdale heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] handelt in strijd met de algemene voorwaarden van de huurovereenkomst (de artikelen 8.1 en 8.10) door overlast en hinder te veroorzaken voor omwonenden. Na verweer van [geïntimeerde] heeft de kantonrechter bij het bestreden vonnis de gevraagde voorziening geweigerd en Rochdale in de proceskosten verwezen. De kantonrechter heeft hiertoe, samengevat, overwogen dat Rochdale de door haar gestelde overlast onvoldoende concreet heeft gemaakt en dat de verzamelwoede van [geïntimeerde] ten tijde van het wijzen van het vonnis onder controle lijkt. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Rochdale met drie grieven op.
3.3.
Het hof stelt het volgende voorop. Het hof dient - nu de kantonrechter de gevraagde voorziening heeft geweigerd - in dit kort geding ambtshalve te beoordelen of Rochdale thans, in hoger beroep, bij de verlangde voorziening een voldoende spoedeisend belang heeft. Naar het oordeel van het hof heeft Rochdale onvoldoende toegelicht dat daarvan sprake is. Rochdale heeft in hoger beroep onvoldoende gesteld - in het bijzonder over na het bestreden vonnis door [geïntimeerde] veroorzaakte hinder en/of overlast - om te kunnen oordelen dat een onverwijlde ontruiming van het gehuurde, in aanmerking genomen de ernst van de gevolgen die dit voor [geïntimeerde] zou hebben, geboden is en dat van haar niet kan worden gevergd een bodemprocedure te starten en het verloop hiervan af te wachten. Om die reden zal het hof, wat er zij van de grieven, het bestreden vonnis bekrachtigen.
3.4.
Rochdale zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

4.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt Rochdale in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 343,- aan verschotten en € 1.114,- voor salaris en op € 163,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, R.J.M. Smit en R.J.Q. Klomp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2022.