ECLI:NL:GHAMS:2022:3065
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voortzetting huurovereenkomst na overlijden grootmoeder bij duurzame gemeenschappelijke huishouding
De zaak betreft een hoger beroep van [appellante] tegen vonnissen van de kantonrechter die de voortzetting van de huurovereenkomst door [geïntimeerde], kleindochter van de overleden huurder, hebben toegewezen. De woning werd sinds 1957 door de grootmoeder gehuurd en is na haar overlijden betwist door de beheerder [appellante] en de eigenaren [A.&B.].
De kern van het geschil is of [geïntimeerde] met haar grootmoeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde en of zij de vordering tegen de juiste partij heeft ingesteld. Het hof bevestigt dat [appellante] in dit specifieke geval als verhuurder moet worden beschouwd, omdat zij het beheer voerde en de communicatie met de huurster verliep via haar.
Uit de feiten blijkt dat [geïntimeerde] sinds 1988 bij haar grootmoeder woonde, haar zorgde en bijdroeg aan de huishoudkosten. Ondanks het ontbreken van een gezamenlijke rekening, was er sprake van financiële verwevenheid en een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Het hof bekrachtigt de bestreden vonnissen en veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bestreden vonnissen en bevestigt dat de huurovereenkomst door de kleindochter voortgezet mag worden.