ECLI:NL:GHAMS:2022:3669
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Huurbedrijfsruimte: opzegtermijn en redelijkheid bij toepassing artikel 7:290 BW
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam over de opzegging van een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte. Appellant huurt sinds 2003 een kelderruimte voor opslag van horecagoederen en had de huurovereenkomst opgezegd met een opzegtermijn van zes maanden. Geïntimeerden stelden dat het wettelijke regime van artikel 7:290 BW Pro van toepassing was, waardoor een opzegtermijn van één jaar geldt.
De kantonrechter had de vorderingen van geïntimeerden toegewezen en de vorderingen van appellant afgewezen, waarbij werd uitgegaan van het huurrechtregime van artikel 7:290 BW Pro en de opzegtermijn van één jaar. In hoger beroep stelde appellant dat dit regime niet van toepassing was, dat de contractuele opzegtermijn van zes maanden bleef gelden en dat toepassing van de langere termijn onredelijk was.
Het hof verwierp deze grieven. Het eerdere vonnis van 2017 waarin het 7:290 BW-regime werd vastgesteld, heeft gezag van gewijsde. De contracttekst ondersteunt geen kortere opzegtermijn na verlenging. Ook de redelijkheid en billijkheid bieden geen grond om van het wettelijke regime af te wijken, ook niet vanwege de coronapandemie. Wel stelde het hof de einddatum van de huurovereenkomst vast op 1 mei 2021 in plaats van 1 juni 2021, zoals partijen onbetwist overeenkwamen.
Daarnaast verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in zijn vordering tot huurkorting wegens corona, omdat deze vordering pas in hoger beroep was ingesteld en onvoldoende onderbouwd was. De kosten van het hoger beroep werden aan appellant opgelegd.
Uitkomst: De huurovereenkomst eindigt op 1 mei 2021 en appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot huurkorting wegens corona.