Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
primairVCKG zal veroordelen aan [verzoeker] te betalen:
- de transitievergoeding van € 317.098,54 bruto;
- een billijke vergoeding van € 350.000,00 bruto;
- een gefixeerde schadevergoeding van € 545.527,80 bruto;
- de contractuele ontslagvergoeding van € 116.045,88 bruto;
- het restant van de bonus over 2019 van € 50.150,08 bruto, althans van € 29.066,33 bruto;
- een pro rata bonus over 2020 van € 603.326,81 bruto;
- geen rechten kan ontlenen aan het non-concurrentiebeding en het relatiebeding zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst;
- in strijd heeft gehandeld met de fundamentele rechten en de AVG, aldus onrechtmatig heeft gehandeld en dat VCKG daardoor aansprakelijk is jegens [verzoeker] voor de door hem geleden en nog te lijden schade.
primairverzocht de beroepsgrond van VCKG te honoreren en [verzoeker] te veroordelen in de onderzoekskosten van € 50.000,00, waarvan € 33.333,00 nog te voldoen aan VCKG binnen veertien dagen na de beschikking.
Subsidiairheeft VCKG verzocht de grondslag van de berekening van de onderzoekskosten te herzien en [verzoeker] te veroordelen in de onderzoekskosten van € 39.191,79, waarvan € 22.524,79 nog te voldoen aan VCKG binnen veertien dagen na de beschikking. In principaal en incidenteel appel heeft VCKG verzocht de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen, met veroordeling van [verzoeker] in – naar het hof begrijpt – de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente, uitvoerbaar bij voorraad.
2.Feiten
grief Ikomt [verzoeker] op tegen de feitenvaststelling, maar desgevraagd heeft [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep medegedeeld dat slechts de vaststelling onder 1.11 onjuist is en dat de overige door hem genoemde feiten bij grief I aanvullend bedoeld zijn. Voor zover van belang zal het hof met deze grief hierna rekening houden. De feiten behelzen, samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) betwist zijn komen vast te staan, het volgende.
the groupgenoemd) is een onderneming die actief is in de zogenoemde parallel handel in luxe producten. VCKG omvat een veelheid aan (buitenlandse) vennootschappen. VCG BV is de moedermaatschappij van onder meer VCKG. De aandelen van VCG BV worden (uiteindelijk) voor het grootste deel (77,5%) gehouden door [X] (hierna: [X] ), de oprichter van de groep.
shall not compete directly or indirectly with the business of the Van Caem group anywhere in the world. In addition, the Employee shall own no interest in, including as shareholder, lender, partner, or otherwise (except as an investor on a stock exchange listed fund), any entity, enterprise, or venture which is competitive with group or any subsidiary it may form, nor make preparations for such activities.
side activities/businessdoor middel van Yard Line, en dat [verzoeker] ontoelaatbare uitingen had gedaan. Dit was voor VCKG reden om het externe onderzoeksbureau Integis in te schakelen om hier nader onderzoek naar te doen. [verzoeker] werd tijdelijk met behoud van loon op non-actief gesteld en hem werd verzocht zijn zakelijke telefoon en computer in te leveren. VCKG heeft deze e-mail eerst naar een oud en afgesloten e-mailadres van [verzoeker] gestuurd, waardoor [verzoeker] eerst op 5 augustus 2020 kennis heeft genomen van het bericht.
1 September 2020 (…) we received documents from the independent forensic accountant and investigation bureau, Integis, regarding you. We are shocked and extremely disappointed by the complete and utter disrespect for our values, people and agreements displayed in these documents.
(…).
side businessen afsnoepen van omzet) bewezen worden geacht en deze reeds voldoende zijn om het ontslag op staande voet te dragen, behoeven de overige aan het ontslag ten grondslag gelegde verwijten – waaronder de verwerpelijke conversaties in de diverse whatsapp-groepen – geen nadere bespreking meer. De kantonrechter heeft het handelen van [verzoeker] ook dermate ernstig verwijtbaar geacht dat hem geen transitievergoeding toekomt. Het verzoek van [verzoeker] sub I (de transitievergoeding), sub II (de billijke vergoeding), sub III (de gefixeerde vergoeding) en sub IV (de contractuele vergoeding) zijn afgewezen. Ook het subsidiaire verzoek sub X (vermogens- en reputatieschade) is afgewezen, nu er van enig onrechtmatig handelen aan de zijde van VCKG volgens de kantonrechter geen sprake is en/of [verzoeker] de schade aan zichzelf te wijten heeft. Ten aanzien van het verzoek sub VIII (het concurrentie- en relatiebeding) heeft de kantonrechter geoordeeld dat deze bedingen in stand zullen blijven, omdat VCKG recht en belang heeft haar handelsdebiet te beschermen tegen verdere uitbating door [verzoeker] . De bonus over 2019 dient overeenkomstig de ‘salary split’ te worden verdeeld tussen de Cypriotische werkgever van [verzoeker] , Oriental Sea Venture Ltd en VCKG. De kantonrechter acht het niet aan haar te berekenen of er na de betaling van februari 2020 nog een bedrag voor VCKG of alleen voor Oriental Sea Venture Ltd te betalen open staat. Deze verzoeken (V en VI) zijn derhalve ook afgewezen. Onder verwijzing naar haar eerdere overwegingen oordeelt de kantonrechter dat er van een onrechtmatige schending van de privacy van [verzoeker] geen sprake is, terwijl [verzoeker] ook niet heeft onderbouwd welke schade hij daardoor zou hebben geleden. De kantonrechter heeft alle verzoeken van [verzoeker] afgewezen en [verzoeker] in de proceskosten veroordeeld, omdat hij in het ongelijk is gesteld.
grief IVin principaal appel komt [verzoeker] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. [verzoeker] stelt – samengevat weergegeven – dat uit de ontslagbrief van 3 september 2020 blijkt dat VCKG vijftien redenen ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag, maar dat deze redenen door VCKG in de brief niet nader worden toegelicht of geconcretiseerd, anders dan door een verwijzing in de voetnoot naar zeer omvangrijke bestanden. Hiermee voldoet VCKG niet aan de mededelingseis als bedoeld in artikel 7:677 BW Pro. [verzoeker] heeft de dringende redenen gemotiveerd betwist, reden waarom het aan VCKG is te bewijzen dat de meegedeelde ontslaggronden zich hebben voorgedaan en zijn aan te merken als dringende redenen. Daarnaast dient VCKG aan te tonen dat sprake is van een objectief en subjectief dringende reden en daarin slaagt VCKG niet, aldus nog steeds [verzoeker] .
‘several invoices for substantive amounts issued by your company SG Yard Line Ltd to third parties for liquor transactions, which constitutes an obvious violation of several obligations’vermeldt noot 1: ‘
sent to you (to Mr Jonkman , since you do not want to receive any e-mail to your own e-mail address) by e-mail of 31 August 2020 16.55 CEST, on 2 September 2020 19.42 CEST.
’In de e-mail van de (toenmalige) advocaat van VCKG aan de (toenmalige) advocaat van [verzoeker] van 31 augustus 2020 worden de onder 2.15 geciteerde ontslaggronden vermeld en zijn vier zip-bestanden bijgevoegd, alsmede twee pdf-bestanden. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verzoeker] vier ordners getoond waarin voornoemde zip- en pdf-bestanden waren opgenomen en welke ordners honderden pagina’s bevatten. VCKG verwijst derhalve ter onderbouwing van de vele ontslaggronden naar zeer omvangrijke bijlagen, maar concretiseert niet welke gedragingen van [verzoeker] hebben geleid tot het ontslag op staande voet. De opgevoerde redenen blijven alle steken in algemene verwijten. Op deze wijze heeft VCKG niet voldaan aan de mededelingseis van artikel 7:677 BW Pro, aangezien voor [verzoeker] niet onmiddellijk duidelijk was en kon zijn waarom hij op staande voet werd ontslagen. VCKG heeft getracht dit gebrek in hoger beroep te repareren door alsnog de aangevoerde ontslaggronden te concretiseren, maar dat is tardief, nu de dringende reden is gefixeerd door datgene wat bij het ontslag op staande voet is opgegeven.
has informed us that due to the very substantial amount and size of data files that have to be analyzed, it will take some weeks to conduct and finalize the investigations. Meanwhile our incentive is to limit the lead time of the investigation as much as possible, whilst safeguarding thoroughness and due process. (…) It is anticipated that you will be receiving an invitation for an interview from the investigation bureau later this week. (…)’
will carry out’), het – zonder nadere toelichting van VCKG, die ontbreekt – onmogelijk zo kan zijn dat de onderzoeksresultaten, althans voldoende betrouwbare voorlopige onderzoeksresultaten, op 31 augustus 2020 bekend waren. Daar komt bij dat [verzoeker] was toegezegd dat hij in het kader van het onderzoek zou worden gehoord, hetgeen niet is gebeurd. Van hoor- en wederhoor, toch een wezenlijk onderdeel van een deugdelijk onderzoek, is derhalve geen sprake geweest. VCKG heeft ook geen tussentijdse (concept) rapportage van Integis in het geding gebracht en het hof gaat ervan uit dat deze niet bestaat. De verklaring van VCKG dat zij in overleg met Integis heeft gekozen voor ‘fasegewijs onderzoek’, hetgeen inhoudt dat na afloop van iedere fase afstemming plaatsvindt over de aard, omvang en diepgang van eventueel vervolgonderzoek, volstaat in dat kader niet.
grief IImet betrekking tot onrechtmatig verkregen bewijs en
grief IIImet betrekking tot de onverwijldheid. Nu gelet op het voorgaande niet is komen vast te staan dat [verzoeker] artikel 10.7 tot en met 10.12 van de arbeidsovereenkomst heeft overtreden, althans voor zover het het verbod op nevenactiviteiten betreft, slaagt ook
grief Vin principaal appel. De verklaring voor recht dat [verzoeker] in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 10.7 en 10.12 van de arbeidsovereenkomst zal dan ook alsnog worden afgewezen.
grief VIin principaal appel komt [verzoeker] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [verzoeker] geen recht heeft op de transitievergoeding, de billijke vergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en de contractuele beëindigingsvergoeding, alsmede het oordeel om het subsidiaire verzoek tot vermogens- en reputatieschade wegens schending van de AVG af te wijzen. [verzoeker] voert daartoe – samengevat weergegeven – aan dat het ontslag op staande voet geen stand houdt, zodat hij recht heeft op voornoemde vergoedingen. De grief is in zoverre gegrond dat de door de kantonrechter gehanteerde afwijzingsgrond, kort gezegd de geldigheid van de dringende reden, onjuist is gebleken. In het navolgende zal worden onderzocht of en in hoeverre de verzoeken van [verzoeker] toewijsbaar zijn.
remuneration of myself: 15% of net (in dividend), and USD 2m for 2018’. Hieruit blijkt niet wat [verzoeker] aan bonus voorstelt, noch wat partijen vervolgens zijn overeengekomen of wat ter zake van bonus is betaald. Tussen partijen staat vast dat VCKG bij bonusbrief van 14 februari 2020 [verzoeker] een bonus over het jaar 2019 heeft toegekend, waarvan 90%, zijnde $ 486.810,00, aan [verzoeker] is uitgekeerd. Gelet hierop oordeelt het hof dat over de jaren 2017, 2018 en 2019 geen sprake is van overeengekomen variabele looncomponenten in de vorm van een bonus, zodat het loon voor de transitievergoeding daarmee niet hoeft te worden vermeerderd. Het hof zal [verzoeker] derhalve onder afwijzing van het meer verzochte een transitievergoeding van € 42.540,83 bruto toekennen. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de verzochte wettelijke rente vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 3 oktober 2020, worden toegewezen.
grief Xin principaal appel komt [verzoeker] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [verzoeker] door opzet en schuld reden heeft gegeven tot een ontslag op staande voet, reden waarom VCKG aanspraak kon maken op de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 en Pro 3 BW van € 43.466,08 bruto. Nu het ontslag op staande voet geen stand houdt heeft [verzoeker] ook niet door opzet of schuld reden gegeven voor een ontslag op staande voet, aldus [verzoeker] .
grief VIIin principaal appel komt [verzoeker] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het concurrentie- en relatiebeding in stand blijven omdat VCKG recht en belang heeft haar handelsdebiet te beschermen tegen verdere uitbating door [verzoeker] . [verzoeker] voert daartoe aan dat op grond van artikel 7:653 lid 4 BW Pro een werkgever geen rechten kan ontlenen aan een concurrentie- en relatiebeding indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en deze ernstige verwijtbaarheid is gegeven doordat het ontslag op staande voet geen stand houdt.
grief VIIIin principaal appel komt [verzoeker] op tegen de beslissing van de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] tot betaling van de restantbonus over 2019 en de pro rata bonus over 2020 af te wijzen. [verzoeker] stelt in dat verband dat hij wel degelijk recht had op een bonus, hetgeen los stond van eventuele dividenduitkeringen. [verzoeker] stelt dat er over 2019 nog een restant bedrag van € 50.150,08 openstaat, welk bedrag niet volgens de
salary splitmoet worden verdeeld tussen VCKG en de Cypriotische werkgever van [verzoeker] . Voorwaardelijk, voor het geval het hof deze stelling niet volgt, maakt [verzoeker] aanspraak op betaling van het resterende bedrag volgens de
salary split. In dat geval dient VCKG nog € 29.066,33 bruto te voldoen. Over 2020 stelt [verzoeker] dat hij recht heeft op een pro rata bonus tot 3 september 2020 van 15% over de netto winst, hetgeen blijkt uit de presentatie van [B] uit januari 2020.
salary splitmoet worden verdeeld tussen de Cypriotische werkgever van [verzoeker] en VCKG. Bij een
salary splitwordt vanwege fiscale redenen salarisuitbetaling verdeeld over verschillende landen, maar dat laat onverlet dat [verzoeker] jegens VCKG aanspraak heeft op uitbetaling van 10% van de bonus over 2019. [verzoeker] heeft het bedrag aan restantbonus berekend op € 50.150,08 bruto, terwijl VCKG uitgaat van een bedrag van € 29.066,33 bruto. Volgens de bonusbrief van 14 februari 2020 dient het bonusbedrag te worden uitbetaald in euro’s, naar de valutadatum 20 februari 2020. Het hof berekent de restantbonus over 2019 volgens de valutadatum 20 februari 2020 (0,92716) op een bedrag van € 50.150,08 bruto, het door [verzoeker] verzochte bedrag. Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het inleidend verzoekschrift, 3 november 2020.
grief IXin principaal appel komt [verzoeker] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat VCKG redelijkerwijs onderzoekskosten heeft moeten maken om de gedragingen van [verzoeker] (en twee collega’s) te onderzoeken, reden waarom het de kantonrechter redelijk voorkomt de onderzoekskosten van VCKG door drie te delen zodat [verzoeker] een bedrag aan € 16.667,00 aan onderzoekskosten moet betalen. [verzoeker] voert aan dat niet wordt gemotiveerd waarom VCKG redelijkerwijs kosten heeft moeten maken en waarom het redelijk is dat [verzoeker] die kosten draagt. Bovendien heeft het onderzoek door Integis niet plaatsgevonden, althans niet met betrekking tot [verzoeker] , nu Integis op 31 augustus 2020 enkel bestanden heeft aangeleverd. Een rapport is niet opgemaakt en er heeft ook geen hoor- en wederhoor plaatsgevonden. Daarnaast wordt ook niet toegelicht waaruit blijkt dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid ex artikel 7:661 BW Pro, terwijl dat een vereiste is voor werknemersaansprakelijkheid, ook wanneer het gaat om onderzoekskosten. VCKG grieft in incidenteel appel tegen het oordeel van de kantonrechter omtrent de onderzoekskosten en verzoekt primair dat [verzoeker] wordt veroordeeld tot betaling van € 50.000,00 en subsidiair tot betaling van € 39.191,79 aan onderzoekskosten. VCKG voert daartoe aan dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en dat [verzoeker] daarmee aansprakelijk is voor de gemaakte onderzoekskosten. De volledige onderzoekskosten bedragen € 117.575,35 excl. btw en op basis van de facturen van Integis kan tenminste € 57.186,94 van de onderzoekskosten worden toegerekend aan [verzoeker] . Het primair verzochte bedrag van € 50.000,00 komt derhalve voor toewijzing in aanmerking, aldus nog steeds VCKG.
Voorts heeft VCKGH[VCKG; hof]
er belang bij dat in rechte komt vast te staan dat [verzoeker] diverse bedingen uit de arbeidsovereenkomst heeft overtreden. Het gaat daarbij om de bedingen onder Section 10 van de arbeidsovereenkomst met VCKGH. (…)’