Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland waarin de rechtbank de aanmaningskosten en kosten van betekening had afgewezen, evenals een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.
De ontvanger van de Belastingdienst had aanmaningskosten en kosten van betekening in rekening gebracht, maar stelde deze op nihil bij bezwaar en kende een beperkte kostenvergoeding toe voor rechtsbijstand. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende vorderde in hoger beroep vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof oordeelde dat de spanning en frustratie door het geschil over de invordering van belasting al eindigde bij de uitspraken op bezwaar, conform de jurisprudentie van de Hoge Raad. Het voortzetten van het geschil over de kostenvergoeding bracht geen nieuwe spanning mee. Daarom was de redelijke termijn niet overschreden en was geen vergoeding voor immateriële schade verschuldigd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 20 april 2023.