In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 december 2017 bevestigd, met uitzondering van de opgelegde strafmaatregelen. De verdachte werd als feitelijk leidinggever veroordeeld voor meermalen medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen zonder heffing en medeplegen van valsheid in geschrift.
Tijdens de regiezitting op 18 april 2023 zijn procesafspraken tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakt, waarin de verdachte zijn strafbare handelen erkent en afziet van verdere onderzoekswensen. Het hof heeft deze afspraken overgenomen vanwege de redelijke en passende aard ervan, mede gezien de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep.
De strafoplegging is aangepast: de verdachte is veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf, waarvan 263 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een geldboete van €60.260,-, te vervangen door 318 dagen hechtenis bij niet-betaling. Tevens is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Het hof benadrukt de ernst van de feiten, waarbij de verdachte door zijn handelen de belangen van de Staat en bonafide belastingplichtigen heeft geschaad en een niet te onderschatten bijdrage heeft geleverd aan accijnsfraude. Ook is het vertrouwen in schriftelijke bewijsstukken ernstig aangetast door de valsheid in geschrift.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag op 2 mei 2023.