Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2016 en 2017, waarbij onder meer een verzuimboete wegens te late aangifte en diverse aftrekposten voor specifieke zorgkosten, tandartskosten, alternatieve geneeskunde en reiskosten in geschil waren.
De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en de aanslagen verminderd, maar de verzuimboete van €369 voor 2016 gehandhaafd. Tevens werd belanghebbende een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Gerechtshof bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
Het Hof oordeelde dat de inspecteur overtuigend had aangetoond dat de aangifte 2016 pas op 24 juli 2017 was ontvangen, na de uiterste inleverdatum, waardoor de verzuimboete terecht was opgelegd. De door belanghebbende opgevoerde aftrekposten voor epilatiekosten, tandartskosten, alternatieve geneeskunde en reiskosten werden eveneens afgewezen vanwege onvoldoende bewijs en onduidelijkheid over de aard van de behandelingen.
De proceskostenvergoeding werd door het Hof bevestigd zoals door de rechtbank vastgesteld, waarbij voor het jaar 2016 geen vergoeding werd toegekend omdat het beroep voortvloeide uit eigen handelwijze van belanghebbende. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.