ECLI:NL:GHAMS:2023:1739

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 juli 2023
Publicatiedatum
18 juli 2023
Zaaknummer
200.282.510/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoldoende bewijs voor vrijstelling parkbijdrage na samenvoeging perceel bungalowpark

In deze civiele zaak stond centraal of appellant een mondelinge afspraak kon bewijzen dat hij geen parkbijdrage hoefde te betalen voor perceel [perceelnummer 1] na samenvoeging met perceel [perceelnummer 2] op een bungalowpark. Het hof verwees naar een eerder tussenarrest waarin appellant was toegelaten tot bewijslevering.

Appellant bracht een getuige op die verklaarde dat in 2014 een gesprek plaatsvond met de directeur van geïntimeerde waarin werd afgesproken dat geen parkbijdrage verschuldigd zou zijn voor het perceel na samenvoeging. De directeur van geïntimeerde ontkende dit en verklaarde dat er geen gesprekken over parkbijdrage of samenvoeging hadden plaatsgevonden en dat facturen steeds onbetaald bleven tot 2019.

Het hof oordeelde dat de verklaringen elkaar tegenspraken en dat appellant niet was geslaagd in zijn bewijslevering. De leveringsakte en het ontbreken van schriftelijke bevestiging of reactie op facturen versterkten dit oordeel. Ook de verklaring van appellant over de notaris werd niet geloofd omdat deze niet uit eigen waarneming was en niet werd ondersteund.

Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, waarbij de vorderingen van geïntimeerde werden toegewezen en die van appellant werden afgewezen. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het beroep van appellant af, die veroordeeld wordt in de kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.282.510/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 8004334 /CV EXPL 19-6466
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juli 2023
inzake
[appellant]
wonend te [woonplaats] ( [land] ),
appellant,
advocaat: mr. B. Pietersz te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. K. Straathof te Alkmaar.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft in deze zaak op 11 oktober 2022 een tussenarrest (hierna: het tussenarrest) gewezen, waarbij [appellant] is toegelaten tot bewijslevering. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dat arrest verwezen.
Op 13 januari 2023 hebben getuigenverhoren plaatsgehad.
Daarna hebben [appellant] en [geïntimeerde] een memorie na enquête ingediend.
Ten slotte is arrest gevraagd.

2.De verdere beoordeling

2.1
Bij het tussenarrest is [appellant] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant] geen parkbijdrage verschuldigd is voor het perceel [perceelnummer 1] (hierna te noemen: [perceelnummer 1] ) na samenvoeging van [perceelnummer 1] en het perceel [perceelnummer 2] (hierna te noemen: [perceelnummer 2] ). [appellant] heeft vervolgens één getuige ( [appellant] ) doen horen. In contra-enquête heeft [geïntimeerde] één getuige ( [naam 1] ) doen horen.
2.2
Het hof zal thans onderzoeken of [appellant] in zijn bewijslevering is geslaagd.
2.3
Getuige [appellant] heeft, voor zover relevant, verklaard:
Wij hebben gezien dat de perceel [perceelnummer 1] , dat naast ons perceel [perceelnummer 2] ligt, steeds meer was
vervallen en vervuild. Wij waren in de zomervakantie van 2014 daar, en toen was ons
opgevallen dat er ratten waren op perceel [perceelnummer 1] . Wij wilden met [naam 1] spreken, maar
hij had geen tijd. Hij zou later naar ons perceel komen om de problemen te bespreken.
[naam 1] kwam toen naar ons toe en wij hebben samen kavel [perceelnummer 1] bekeken, en zagen
samen de ratten rondlopen. Wij wilden dat [naam 1] er wat aan deed. Hij kon geen
oplossing bieden. Het gesprek heeft een hele tijd geduurd, maar er kwam geen
oplossing. Toen hebben mijn man en ik samen nagedacht over een mogelijke oplossing.
Daarop hebben wij [naam 1] voorgesteld om perceel [perceelnummer 1] te kopen, het huis te slopen en
daar een tuin van te maken. Dit onder de voorwaarde dat er geen parkbijdrage betaald
hoefde te worden. Dit gebeurde ook in de zomervakantie van 2014, in hetzelfde
gesprek. [naam 1] ging hiermee akkoord en wij hebben met een handdruk deze afspraak
bezegeld. Ook dit gebeurde in hetzelfde gesprek. Er is daarna niet meer gesproken over
een parkbijdrage. Ik weet niet of in dat gesprek de samenvoeging van perceel [perceelnummer 1] en
[perceelnummer 2] aan de orde is gekomen. Bij dat gesprek waren [naam 1] , mijn man en ik aanwezig.
Ik ben na deze zomer niet meer bij gesprekken over dit onderwerp geweest.
Mijn man is naar de notaris gegaan voor de akte van levering. Ik ben daar niet bij
aanwezig geweest. Voor die afspraak met de notaris heb ik met mijn man besproken dat
de afspraak dat wij geen parkbijdrage hoefden te betalen in de akte zou moeten staan.
Na afloop van de afspraak met de notaris heb ik van mijn man gehoord dat de afspraak
niet in de akte is opgenomen, omdat dat volgens de notaris niet kon omdat het
standaardbepalingen in de akte betroffen.
(…)
Er heeft één gesprek met [naam 1] plaatsgevonden, tijdens dat gesprek hebben mijn man
en ik kort overlegd, [naam 1] was daar bij. Ik heb de leveringsakte op voorhand niet
gezien. Ik weet niets over facturen voor perceel [perceelnummer 1] , mijn man heeft dit geregeld en ik
ging hier niet over. Ik wist niet dat er in de leveringsakte iets stond opgenomen over
bouwgrond voor een recreatiebungalow. Dat was niet wat wij voor ogen hadden. Het
gesprek heeft ongeveer vijftien minuten geduurd.
2.4
[appellant] is de echtgenote van [appellant] en bij zijn praktijk in loondienst. Haar verklaring is in dit licht gewogen. Overigens, omdat [geïntimeerde] geen bewijslast draagt, geldt de waarderingsregel van artikel 164 Rv Pro. niet voor de hierna vermelde verklaring die [naam 1] in contra-enquête heeft afgelegd.
2.5
Getuige [naam 1] is de directeur van [geïntimeerde] . Hij heeft, voor zover relevant, verklaard:
Er stond een huisje op het perceel. Op een gegeven moment krijg ik bericht dat [appellant]
het huisje gekocht heeft. Wij kregen hier bericht over van de notaris. De notaris zou ons
in 2015 een mail gestuurd hebben met de mededeling dat het huisje zou zijn of zou
worden overgedragen. Een heer [naam 2] was eigenaar van het huisje alvorens het
werd verkocht aan de familie [appellant] . Voor dit bericht zijn er geen gesprekken geweest
met de familie [appellant] over perceel [perceelnummer 1] . Ik heb met de familie [appellant] niet gesproken
over een parkbijdrage voor of na de levering van perceel [perceelnummer 1] . Ik heb met hen pas later
contact gehad. In de langlopende rechtszaak die begon in 2013 werd de parkbijdrage ter
discussie gesteld. Ik heb met [appellant] niet gesproken over samenvoeging van de percelen
[perceelnummer 1] en [perceelnummer 2] , ook niet na de levering. Na de samenvoeging heb ik ook niet met de familie
[appellant] gesproken over de parkbijdrage. De familie [appellant] heeft na de levering een
hovenier ingeschakeld en bouwactiviteiten verricht. Daarover is een heftige discussie
ontstaan, maar dit is opgelost. In februari 2015 hebben zij perceel [perceelnummer 1] geleverd
gekregen. In 2019 heb ik voor het eerst gehoord dat zij de facturen van de parkbijdrage
voor perceel [perceelnummer 1] niet willen betalen en een beroep doen op een gestelde gemaakte
afspraak dat geen parkbijdrage voor perceel [perceelnummer 1] betaald zou hoeven worden. Wij
hebben steeds facturen gestuurd en in de periode tot 2019 geen reactie gehad op de
facturen. Op 17juni 2015 heb ik een betaling ontvangen met betalingskenmerk
‘ [perceelnummer 1] / [perceelnummer 2] ’.
Ik heb de leveringsakte enkele maanden na de levering gezien. Dit is gebruikelijk bij
ons. Wij controleren na elke levering de akte op hun juistheid. Wij letten hierbij vooral
op de standaardbepalingen, zoals die over de parkbijdrage, het gebruik van de algemene
delen van het park en de kettingbedingen. In deze akte was daar niet van afgeweken. Ik
ben niet bij de notaris geweest bij de levering.
(…)
Ik heb nooit met dhr. en mw. [appellant] samen gesproken, ook niet over de aankoop van
perceel [perceelnummer 1] .
2.6
Het hof constateert dat de afgelegde verklaringen elkaar tegenspreken. Het hof acht [appellant] niet geslaagd in het door hem te leveren bewijs. Weliswaar bevat de door [appellant] afgelegde getuigenverklaring elementen die steun bieden aan de door [appellant] te bewijzen stelling, maar mede in het licht van de inhoud van de leveringsakte van [perceelnummer 1] (zie het tussenarrest onder 3.f) en de verklaring van [naam 1] , die daaraan geen steun bieden, is onvoldoende komen vast te staan dat [appellant] met [naam 1] bij de aankoop van [perceelnummer 1] mondeling heeft afgesproken dat [appellant] geen parkbijdrage verschuldigd is voor [perceelnummer 1] na samenvoeging van [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2] . Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of een eventuele toezegging van [naam 1] ook een toezegging van [geïntimeerde] is omdat [naam 1] op dat moment namens [geïntimeerde] optrad.
2.7
Dat [appellant] heeft verklaard dat de notaris heeft geweigerd mee te werken aan aanpassing/doorhaling van het kettingbeding over de parkbijdrage kan haar niet baten. Immers, dit is geen verklaring uit eigen waarneming. Zij was niet aanwezig bij de afspraak van [appellant] met de notaris. Daarbij komt dat [appellant] geen verklaring van de notaris in het geding heeft gebracht die dit onderdeel van de verklaring van [appellant] bevestigt. Ook heeft [appellant] de notaris niet als getuige voorgedragen.
2.8
Ook weegt hof in het nadeel van [appellant] mee dat hij de gestelde mondelinge afspraak nimmer schriftelijk aan [geïntimeerde] heeft bevestigd, terwijl daar zowel na de beweerdelijke mondelinge afspraak met [naam 1] als na het passeren van de notariële akte alle aanleiding toe zou zijn en hij daar ook evident belang bij had. Voor dat uitblijven heeft [appellant] geen afdoende verklaring gegeven. Evenmin heeft hij na ontvangst van de eerste parkbijdragefactuur voor [perceelnummer 1] [geïntimeerde] gewezen op de afspraak die volgens hem was gemaakt. Tot slot ligt de vermeende afspraak ook niet in de rede, omdat het verdienmodel van [geïntimeerde] is gebaseerd op het incasseren van de parkbijdrage.
2.9
Gezien overweging 4.20 van het tussenarrest, is de conclusie van het voorgaande dat de onderdelen van de grieven 3 en 4 en grief 1, voor zover die betrekking hebben op [perceelnummer 1] , van [appellant] geen succes hebben. Dit betekent dat de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] terecht heeft toegewezen en die van [appellant] terecht heeft afgewezen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
2.1
[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot heden begroot op € 760,= aan verschotten en € 2.508,= voor salaris en op € 163,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, J.C.W. Rang en M.E. Hinskens-van Neck en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.