ECLI:NL:GHAMS:2023:1739
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende bewijs voor vrijstelling parkbijdrage na samenvoeging perceel bungalowpark
In deze civiele zaak stond centraal of appellant een mondelinge afspraak kon bewijzen dat hij geen parkbijdrage hoefde te betalen voor perceel [perceelnummer 1] na samenvoeging met perceel [perceelnummer 2] op een bungalowpark. Het hof verwees naar een eerder tussenarrest waarin appellant was toegelaten tot bewijslevering.
Appellant bracht een getuige op die verklaarde dat in 2014 een gesprek plaatsvond met de directeur van geïntimeerde waarin werd afgesproken dat geen parkbijdrage verschuldigd zou zijn voor het perceel na samenvoeging. De directeur van geïntimeerde ontkende dit en verklaarde dat er geen gesprekken over parkbijdrage of samenvoeging hadden plaatsgevonden en dat facturen steeds onbetaald bleven tot 2019.
Het hof oordeelde dat de verklaringen elkaar tegenspraken en dat appellant niet was geslaagd in zijn bewijslevering. De leveringsakte en het ontbreken van schriftelijke bevestiging of reactie op facturen versterkten dit oordeel. Ook de verklaring van appellant over de notaris werd niet geloofd omdat deze niet uit eigen waarneming was en niet werd ondersteund.
Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, waarbij de vorderingen van geïntimeerde werden toegewezen en die van appellant werden afgewezen. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het beroep van appellant af, die veroordeeld wordt in de kosten.