ECLI:NL:GHAMS:2023:1746
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Geen herstel gezag moeder over minderjarige na langdurige uithuisplaatsing
De moeder verzocht het hof om herstel van het gezag over haar dochter [minderjarige 1], die sinds haar tweede levensjaar uit huis is geplaatst en sinds 2022 in een netwerkpleeggezin woont. Het gezag was in 2019 beëindigd en de voogdij was aan Jeugdbescherming toegewezen. De moeder stelde dat zij duurzaam in staat is om voor haar dochter te zorgen en dat de eerdere zorgen niet meer bestaan.
Jeugdbescherming en de Raad voor de Kinderbescherming stelden dat het belang van het kind gebaat is bij continuïteit en rust in de opvoedsituatie, waarbij het perspectief niet bij de moeder ligt. Het kind voelt zich thuis in het pleeggezin en wil daar opgroeien. Het hof oordeelde dat herstel van het gezag onherroepelijk zou leiden tot nieuwe procedures en onrust, wat niet in het belang van het kind is.
Daarnaast werd het verzoek van Jeugdbescherming om de omgangsregeling te wijzigen in locatie toegewezen: de omgang vindt voortaan plaats in de regio waar het kind woont, ondanks bezwaren van de moeder. De begeleiding van de omgang blijft gewaarborgd, en het hof wees het verzoek af om omgangsmomenten bij annulering niet in te halen.
Het hof bekrachtigde de afwijzing van het gezagsherstel en wijzigde de omgangsregeling, waarbij het belang van het kind centraal staat en continuïteit in de opvoedsituatie wordt gewaarborgd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder tot herstel van het gezag af en wijzigt de omgangsregeling naar een locatie dichter bij het pleeggezin.